De Familie Le, deel 7

Phoenix heeft een Versace-hemd voor opa gekocht en zit nu zonder geld. Dat is het eeuwige probleem bij de Familie Le.

Elke ochtend zijn in het westen witte wolken te zien en halverwege de middag liggen ze zwart en zwaar op de heuvels, alsof het vooruitzicht om het eindeloze blauw boven het lage land binnen te vallen ze heeft uitgeput. De mensen in de stad kijken ernaar en soms zeggen ze tegen elkaar: ‘Het regent in de heuvels,’ en dan prijzen ze zich gelukkig dat ze aan zee wonen.

Deel 7 De Backpacker

Tommy wordt wakker van een knal tegen de muur. Hij ligt een tijdje met dichte ogen te wachten op de volgende. Als die komt, staat hij zuchtend op en schuifelt op de tast de kamer uit. De gang is pikdonker, maar onder Phoenix’ deur schijnt een streepje licht.

‘Zusje?’

Geen antwoord. Hij draait de deurknop om en stapt de slaapkamer van zijn tweelingzus binnen. Phoenix zit met gebogen hoofd op haar matras. Haar gebalde vuisten rusten op haar dijen en overal om haar heen liggen snippers papier die Tommy met zijn wazige blik herkent als verscheurde bankbiljetten. Hij laat zich naast haar zakken en wacht tot ze wat gaat zeggen of nog een schoen tegen de muur gooit. Phoenix mompelt iets.

‘Wat?’

‘De klootzak.’

Na een tijdje heft ze haar hoofd een stukje op. Ze neemt niet de moeite om het haar uit haar gezicht te strijken en kijkt naar de muur terwijl ze spreekt. Ze was met een klant meegegaan naar zijn hotel. Hij was oud en ongewoon lelijk, zelfs voor een buitenlander, begrijpt Tommy uit haar verhaal.

‘Maar waarom doe je dat dan,’ vraagt hij, al kent hij het antwoord.

Het is een tijdje stil achter het haar. ‘Ik had die rode laarsjes gezien.’

‘Maar waarom een lelijke ouwe man? Jij kunt toch iedereen krijgen. Je hoeft ze maar aan te kijken’

Phoenix laat haar hoofd weer zakken. Haar woorden komen bijna onverstaanbaar. ‘Omdat ik niets beters waard ben.’

Tommy zucht. Zijn hand gaat naar zijn bril om hem met een hoekje van zijn pyjama te poetsen, maar hij heeft hem niet op, merkt hij. Hij laat zijn hand vallen en kijkt naar de zwarte schoentjes die voor zijn voeten op de grond liggen. Een van de stilettohakken is gebroken. Na een tijdje wordt zijn blik scherper.

‘Ik weet het,’ zegt hij opeens. ‘Hé, zusje, ik weet wat we met jou moeten doen.’

‘Wat bedoel je?’ Phoenix strijkt het haar uit haar ogen en kijkt naar haar broer, die zit te grijnzen alsof hij bijzonder tevreden met zichzelf is.

‘Eerst moet ik met pa praten,’ zegt Tommy.

Tommy leunt met zijn rug tegen een blinde muur in een steegje in de toeristenwijk. Ook hier zijn smalle, donkere straatjes, want de wijk was er eerder dan de toeristen en het nieuwe denken heeft nog niet overal tot pleinen en hoogbouw geleid. Tommy leunt niet alleen tegen een muur maar ook op twee krukken, die bij de buren in de familie zijn sinds de oude Giap, nu dood, uit de oorlog was gekomen met twee decimeter medailles op zijn borst en één been en die bij gelegenheid worden uitgeleend. De krukken zijn van hout en hebben met gebarsten leer beklede kussentjes voor onder de oksels.

Met tussenpozen komt er een toerist langs, op weg van het Blue Sea Hotel naar het 30 April Plein of van het Visserijmuseum naar de boulevard. Het is geen A1 locatie voor een bedelaar. Daar staat tegenover dat de spaarzame voorbijganger zich alleen met Tommy in de steeg bevindt en hem met niet meer dan een meter tussenruimte moet passeren, zodat hij moeilijk kan doen alsof hij de mindervalide niet heeft opgemerkt. Tommy staat er nu een half uur. Hij leunt tegen de muur en op Giaps-krukken met het geduld van een volk dat weet dat de tijd cyclisch is.

Aan de oostelijke ingang van het steegje verschijnt een backpacker. Hij is jong en lijkt nog jonger door de verwondering waarmee hij om zich heen kijkt. Hij heeft nog geen hotel gevonden, want hij draagt een enorme rugzak op zijn rug en een kleinere voor zijn borst. Het zonlicht van de wereld buiten het steegje schijnt op zijn haar en zijn haar is heel blond. Hij staat een ogenblik stil, dan stapt hij enthousiast het halfduister in. Hij kijkt naar de muren links en rechts. Hij kijkt omhoog naar de daklijsten en de regenpijpen en de knotten van de elektriciteitsdraden en omlaag naar de betonplaten en de barsten daarin. Hij lijkt een kind op weg naar de kermis, zoals hij aan komt lopen, glunderend en lichtvoetig onder zijn twee rugzakken.

Tommy steekt een hand uit. ‘Een dollar voor een tweede generatie oorlogsslachtoffer.’ De jongen staat stil. Hij neemt de gebrilde bedelaar van onder tot boven op met stralende ogen. Tommy begint zich ongemakkelijk te voelen. ‘Een dollar, vriend,’ zegt hij nog maar eens.

‘Natuurlijk,’ zegt de jongen. Hij tilt de rugzak die voor zijn borst hangt een stukje op, trekt zijn T-shirt omhoog en draait de geldbuidel die daaronder hangt op zijn heup zodat hij hem kan zien. Hij opent de rits van de buidel en graaft erin met zijn duim en wijsvinger. Het duurt een tijdje, maar uiteindelijk brengt hij een biljet tevoorschijn. Hij ritst de geldzak dicht en schuift hem op zijn plaats. Hij steekt Tommy een dollar toe. Die neemt hem aan en zegt: ‘Dank je wel, vriend.’ Dan duwt hij zich af van de muur en begint met verrassende snelheid op zijn krukken naar de uitgang van de steeg te hobbelen. De backpacker kijkt hem verbaasd na.

Van de andere uitgang komt een politieman aangeslenterd. Hij staat voor de jongen stil en kijkt naar hem op, want hij is kort van gestalte. Tenger ook. Maar er gaat dreiging van hem uit, zoals hij daar staat, met een gummiknuppel aan zijn riem en onleesbare smalle ogen in zijn platte gezicht. Hij zwijgt, de politieman.

‘Goedemorgen?’ zegt de jongen. Is het in dit land misschien verboden aan bedelaars te geven?

Dan zegt de politieman iets vreemds. ‘Geef het spul maar hier,’ zegt hij en hij steekt zijn hand uit.

‘Wat,’ vraagt de jongen. ‘Spul?’

De politieman doet ‘tssk, tssk.’ Langzaam, alsof hij tegen een landsman spreekt die de Engelse taal gebrekkig beheerste, zegt hij: ‘Als ik iemand geld zie geven aan iemand die bekend staat als een drugsdealer, dan ga ik er gewoonlijk van uit dat die iemand drugs heeft gekocht.’

De jongen begint te lachen, opgelucht en geamuseerd om het misverstand. ‘Maar dat was geen dealer. Dat was gewoon een bedelaar. Ik heb hem een dollar gegeven. Hij vroeg om een dollar en die heb ik hem gegeven. Hij is een oorlogsslachtoffer of zoiets.’

De politieman draait zijn hoofd af en spuugt naast zijn rechter schoen op het beton. Dan kijkt hij weer op. Hij lijkt kwaad nu. ‘Mee,’ zegt hij en hij wijst met zijn duim over zijn schouder naar de uitgang van de steeg.

‘Wat…?’

‘Mee naar het bureau.’

‘Maar…’

‘We hebben hier weinig op met drugsgebruikers. Het gaat hier anders toe dan waar jij vandaan komt, zoon. Hier is het eerst de gevangenis en dan kijken we verder. Na een maand of een jaar. Mee.’ Hij pakt de jongen bij de arm.

‘Maar ik heb niks gekocht. Hier, kijk maar. Fouilleer me maar. Kijk maar.’ En hij begint met zijn vrije hand aan de schouderbanden van zijn twee rugzakken te trekken. De politieman knijpt hard in zijn arm. ‘Je bent nu in een beschaafd land. Wij fouilleren geen mensen op straat. Als we niks vinden dan heb je net een voorschot betaald. Dan krijg je het spul vanavond. Dan ga je de bak in op intentie tot het begaan van een misdrijf. De wet is hier erg flexibel als om drugs gaat. Mee nu.’

De onderlip van de backpacker begint te trillen. De politieman laat de arm los en kijkt de jongen in de ogen. Zijn eigen ogen zijn zwarte diamanten in de nacht.

‘Honderd dollar.’

‘Wat…?’

‘Geef me honderd dollar en ik zal je voor deze keer laten gaan.’ Ziet hij opluchting in die ogen? Er staan tranen in, dat is zeker.

‘Zoveel heb ik niet,’ zegt de jongen bijna onhoorbaar.

‘Laat zien.’ De politieman wijst op de bult onder het T-shirt. De jongen maakt zijn geldgordel los. De agent trekt hem uit zijn hand. Hij haalt er een paspoort uit, een vliegticket, bankbiljetten, een pinpas. Hij begint het geld te tellen. 58 dollar. Hij bekijkt het paspoort, slaat het open en weer dicht. ‘Israël?’ De jongen knikt. ‘Daar zijn drugs heel normaal, hè?’ De jongen schudt zijn hoofd. Hij kijkt over zijn borstrugzak naar de glanzend zwarte schoenen van de politieman. Die steekt de pinpas omhoog. ‘Mee, op de hoek is een ATM.’

Aan de automaat vertelt de politieman hoeveel honderd dollar is in de plaatselijke valuta en draait kies zijn hoofd af als de ander zijn code intoetst. Hij neemt de biljetten in ontvangst en telt ze vluchtig. Dan kijkt hij de jongen aan, maar die ontwijkt zijn blik.

‘Denk goed na voor je je in dit land met drugs inlaat, zoon. Beschouw deze gebeurtenis maar als een stap op weg naar volwassenheid. Daar is het backpacken tenslotte om begonnen als ik het goed begrijp. Nou wegwezen. Zoek een hotel en laat je niet afzetten. Er zijn schone backpackerhotels voor onder de tien dollar.’ Hij wacht tot de jongen begint te lopen en slentert dan terug door de steeg. Om de hoek leunt Tommy tegen de muur. De krukken leunen naast hem. Duc trekt het stapeltje bankbiljetten uit het borstzakje van het uniformhemd dat hij draagt wanneer hij bijklust in de rijwielstalling van Moeders oudste broer. Op de schouders zitten epauletten met dubbele strepen. Die helpen enigszins om zijn gezag te laten gelden in de altijd wat rommelige parkeerbusiness, evenals de gummiknuppel, waarvan de herkomst duister is maar die aan de riem had gezeten toen Duc het uniform overnam. Hij telt de helft van het stapeltje af en geeft het geld aan Tommy. ‘Voor de camera.’

‘Oké, pa.’

De rest steekt hij terug in zijn borstzakje. ‘Voor Moeder.’ Dan stapt hij van de stoep en steekt een hand op. Een roodharige toeriste op een huur-Yamaha stopt. ‘Goedemorgen mevrouw,’ zegt hij, ‘was het u al opgevallen dat andere brommerbestuurders een helm dragen?’

Als ook deze zaak geregeld is, neemt Tommy afscheid en verdwijnt in de richting van de winkelstraten. Duc steekt de verkeersboete in zijn borstzakje en blijft een tijdje op de stoep staan kijken naar de brommers en de taxi’s en de paar toeristen die zich onder de klimmende zon op straat wagen. Het is half twaalf in de ochtend en de lucht heeft iets melkachtigs, alsof de dag zich begint op te maken voor een daverend onweer. Dan legt hij de krukken op zijn schouder en loopt op zijn gemak naar huis, een parkeerwacht die op wonderbaarlijke wijze van zijn kwaal is genezen. Hij denkt aan de jongen in de steeg. Hoe hij zijn borstrugzak en zijn T-shirt had opgetild en zijn geldbuidel op zijn heup geschoven en met zijn vingers gevoeld tot hij een dollarbiljet vond en dat aan een bedelaar op antieke krukken had gegeven.

‘Zoon van God,’ mompelt hij, ‘in Bethlehem geboren om de zonden van de wereld weg te nemen.’ Dan schudt hij zijn hoofd. ‘Hoe kom ik dáár nou weer op?’

 

 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.