De Familie Le deel 6

Moeder trok een deken over hem heen en met z’n allen keken ze een tijdje op hem neer. ‘Je gaat niet dood, vader, hoor je me?’ zei pa. ‘Ik moet er niet aan denken dat we je weer helemaal terug moeten zien te krijgen voor de begrafenis.’

Deel 6: Het hemd

Phoenix schudt haar hoofd. Hoelang staat ze zo al, met de kwast in haar hand? Ze knielt naast opa en kust hem op een droge reptielenwang. ‘Blijf altijd bij me, opa, beloof je het?’ fluistert ze.

Een halve muur en een pyjama zitten onder een frisse laag witte verf als Moeder binnen komt stormen. Stormen is het woord, al is het geen woord dat normaal met Moeder in verband kan worden gebracht. Ze negeert Phoenix en posteert zich voor het beeld van Maria. Met haar handen op haar heupen begint ze uit te varen tegen de Heilige Maagd. Het is geen bidden, dat kan Phoenix horen, maar wat het wel is, wordt niet direct duidelijk. Misschien is Moeder getuige geweest van een misdrijf of ongeval, want ze vangt een paar keer het woord politie op.

‘Moeder,’ zegt ze luid als haar moeder een moment zwijgt om adem te halen. Moeder kijkt haar aan.

‘Zal ik thee maken?’

Als Moeder zover gekalmeerd is dat ze kan zitten, begint ze min of meer samenhangend te vertellen welke ramp haar midden op de dag naar huis heeft gedreven.

‘Son is met pensioen.’

‘Wie is Son?’

‘Schele Son.’

Ah. Moeder heeft het over de politieman die elke maand ‘de huur komt ophalen’ en in ruil daarvoor Moeders stalletje en nog een handvol kraampjes langs de openbare weg gedoogt in strijd met de gemeentelijke verordeningen. Het is een symbiose die al jarenlang werkt in wederzijdse hoffelijkheid en respect.

‘Nu is er een nieuwe. Zo’n jonge snotneus.’

‘Hoeveel?’

‘Niets.’

‘Niets?’

‘Niets. Ik moet inpakken. Geen uitzonderingen, zei hij. Regels zijn regels. Niks mee te maken dat ik daar al zes jaar sta. Dat is dan zes jaar te lang, zei hij. En hij is niet eens van hier. Hij praat als iemand uit het Noorden. En lelijk! Nog lelijker dan Son en die keek naar de zee als hij op de heuvels wees.’

‘Shit, Moeder.’

‘En het was al een slechte week.’

‘Wat ga je nu doen?’

Moeder denkt een ogenblik na. ‘De verf van de vloer schrobben,’ zegt ze dan, ‘voor hij opdroogt.’

Phoenix verft de woonkamer af. Dan is de emmer leeg en haar aanval over. De slaapkamers moeten maar wachten op de volgende. De gang ook, maar daar houdt niemand zich langer op dan strikt noodzakelijk. En de keuken, daar is geen beginnen aan met alles wat er aan de muren hangt.

Ze laat haar nagels lakken en neemt een Wild Rose gezichtsmasker. Ze wast de laatste verf uit haar haar en loopt een tijdlang heen en weer tussen haar kamertje en de spiegel op Moeders kleerkast. Tommy zit op zijn bed te lezen. Elke keer als Phoenix op de gang langs komt, kijkt hij op. ‘Problemen?’ informeert hij na een tijdje.

‘Ik heb niks om aan trekken,’ zegt Phoenix.

‘Dat is een probleem,’ zegt Tommy.

Phoenix staat een poosje met een zwart spandex topje voor de spiegel. Dan gooit ze het lapje op de grond en laat zich op het bed van haar ouders vallen. Zoveel kleren en er zit niets fatsoenlijks bij. Hoe heeft ze die rommel ooit aan kunnen schaffen. Ze moet vandaag nog iets nieuws kopen, want zo kan ze niet naar haar werk. Maar ze heeft geen geld. Nou ja, een beetje heeft ze nog. Genoeg voor iets kleins.

‘Hoe laat is het?’ roept ze door de gang.

‘Kwart voor vier,’ roept Tommy terug.

Ze komt van het bed en gaat naar haar kamertje. Ze tilt de stapel slipjes van de plank en pakt de twee twintig dollar biljetten die eronder liggen.

‘Kijk jij naar opa?’

‘Uh hum,’ zegt Tommy zonder zijn ogen van zijn boek te halen.

Op straat loopt ze te denken of ze naar de markt zal gaan of naar de winkels. De winkels. Ze heeft zin in iets moois. Klein maar mooi.

Plotseling vindt ze zichzelf een monster. Terwijl ze het zo moeilijk hebben, nu Moeder haar stalletje kwijt is, denkt zij alleen aan kleren. Of ze die niet genoeg heeft. Ze wil omdraaien en naar de markt rennen, waar Moeder vis schoonmaakt voor de vrouw van neef Hai. Kijk eens Moeder, dit vond ik onder mijn slipjes. Maar nu loopt ze al in de winkelstraat. ‘Een spijkerbroek voor Tommy,’ zegt ze hardop. Een meisje op een driewieler kijkt verschrikt om. ‘Het model waarvan het kruis niet op de knieën hangt,’ zegt ze tegen het meisje. ‘Dat zal wel even wennen zijn voor mijn broertje.’

Dan ziet ze het hemd.

Het boetiekje is nieuw. De bloemstukken van de opening staan nog in de etalage. Meer bloemen dan kleren, zo’n winkel is het. Maar wat er te zien is, dat is designerspul. Zonder prijskaartjes. Het hemd zit om een zwart mannentorso met een half hoofd. Het is een mouwloos hemd, zoals opa altijd heeft gedragen. Maar dit hemd is niet bedoeld om onder een shirt te verstoppen. Dit is een hemd om gezien te worden. Het is van een glanzende stof. Grijs met een groenig waas erover, maar als je er vanuit een andere hoek naar kijkt, lijkt het van zilver. Ze denkt aan opa en hoe weinig hij nog heeft in zijn leven. Ze voelt tranen prikken achter haar ogen. Ze gaat de winkel binnen.

‘Hi,’ zegt een jongen van haar leeftijd. Hij staat achter een toonbank met een iPhone tegen zijn oor. Zwarte jeans, zwart T-shirt, witte sportschoenen. Geblondeerd haar en een kruisje aan een kettinkje in zijn linker oorlel. In zijn ogen de verrassing die ze zo vaak in de ogen van mannen ziet. Ze draait hem de rug toe en voelt aan het hemd. De stof is fluweelzacht en heel licht.

‘Microfiber,’ zegt de jongen achter haar rug. ‘Onkreukbaar.’

Ze aait het hemd. ‘Wat kost het?’

‘Versace,’ zegt de jongen en hij trekt het hemd van de torso en laat haar het label zien.

‘Wat kost het? In dollars?’

‘Vijfendertig voor jou.’

Schandalig, voor zo’n lapje textiel.

‘Oké.’

De verkoper vouwt het hemd zorgvuldig op en schuift het in een zwart draagtasje met de naam van de boetiek in gouden letters. Hij pakt haar geld aan en opent de kassa. Hij lijkt geen haast te hebben.

‘Voor je vriendje?’ vraagt hij als hij haar het wisselgeld toesteekt. Ze neemt de biljetten aan en propt ze in de achterzak van haar jeans.

‘Voor mijn opa,’ zegt ze glimlachend.

Om zes uur vertrekt Phoenix naar de nieuwe bar, die in alles hetzelfde is als Why Not. Thuy en Sang zijn er al begonnen. De wind van verandering blaast nog niet door het steegje van de familie Le. De zon staat elke ochtend op uit de zee en vóór de zon komen uit de monding van de rivier de nietige vissersbootjes, hun houten buik gevuld met ijsblokken.

Ze varen oostwaarts over het zwarte water en wanneer de zee ijsblauw en turquoise kleurt en de toeristen op de balkons van de hotels de nieuwe dag begroeten, zijn ze achter de horizon verdwenen, op weg naar visgronden zover als Maleisië en de Filipijnen. Als ze na drie weken terugkomen, het ijs gesmolten tussen de zilveren lading die al begint te ruiken en onder de nieuwe brug door op hun laatste dieselolie de rivier optuffen, wijzen de toeristen op de balkons elkaar op de netten die aan lange houten staken aan bakboord en aan stuurboord boven het water hangen en voelen zich echt op vakantie.

In het moeras van paalwoningen, waar geen buitenlander zich waagt, leggen ze aan en schrale bruine mannen springen aan land en lopen stijf en onwennig naar hun huizen om het zout van hun huid en uit hun haar te spoelen en onbeschoft dronken te worden. Zo is het altijd geweest en zo zal het nog een tijdje blijven, maar in de airconditioned kantoren van het stadsbestuur liggen de blauwdrukken voor de sanering van de oude visserswijk al te wachten op officiële stempels.

Elke ochtend zijn in het westen witte wolken te zien en halverwege de middag liggen ze zwart en zwaar op de heuvels, alsof het vooruitzicht om het eindeloze blauw boven het lage land binnen te vallen ze heeft uitgeput. De mensen in de stad kijken ernaar en soms zeggen ze tegen elkaar: ‘Het regent in de heuvels,’ en dan prijzen ze zich gelukkig dat ze aan zee wonen.

 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 45 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

3 Comments

    • Dank je Bert. Als het de lezers niet gaat vervelen, komt er een vervolg, want zelf hou ik erg veel van die familie en ik ben benieuwd wat ze verder nog gaan uitspoken. Misschien komt er zelfs ooit nog eens een bundeltje van, als er een uitgever voor te interesseren is.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*