De Familie Le deel 5

Opa zwijgt

Een van de aardige dingen van haar werk, vindt Moeder, is het goede gevoel dat ze haar klanten geeft. Elke avond om zes uur, als de kooplieden hun kramen sluiten en vuilnismannen in groene overalls het afval bij elkaar beginnen te vegen, draaft ze over de markt en doet haar inkopen met een trefzekerheid die voortkomt uit lange ervaring.

Kromme wortels, bananen met dwerggroei, leproze aardappelen, mango’s die voor negentig procent uit pit bestaan, aangevreten kroppen sla waarin zwarte puntjes krioelen en wat ze verder bijna gratis kan meenemen. De volgende ochtend maakt ze van dit plantaardige rariteitenkabinet een nette presentatie onder het handbeschilderde bord KIM’S ORGANISCHE GROENTEN & FRUIT.

Haar prijzen zijn gemiddeld het dubbele van eerste kwaliteit groenten en fruit overal elders in de stad, zodat ze er een comfortabele marge aan overhoudt. En, zoals gezegd, ze heeft de voldoening van tevreden klanten, voornamelijk chartertoeristen en een enkele backpacker. Moeder verstaat en spreekt genoeg Engels om korte gesprekken te voeren. Die komen altijd op hetzelfde neer.

‘Goh, wat goed dat we u hebben gevonden, mevrouw. Dat zijn we hier nog niet tegengekomen, organisch. Wat ze in een ontwikkelingsland spuiten, daar willen we liever niet aan denken.’

‘Ja, hier is organisch een hobby van de rijken. Waar u vandaan komt, zijn de mensen verstandiger. U moet de bananen eens proberen. Ze zijn klein, geen hormonen, hè, maar je weet niet wat je proeft.’

Phoenix, de dochter van de Familie Le, is weg bij Why Not. Ze was op een avond binnengestapt, gekleed om slachtoffers te maken. De manager stond voor zijn kantoortje te praten met een man die naar haar keek zoals mannen naar haar keken. Hij zei iets zonder zijn ogen van haar af te nemen. De manager zei iets terug waar ze allebei om moesten lachen. Sommige lachjes herkende ze van een afstand. Ze draaide om en stapte op haar brommer. Ze had haar helm niet afgedaan.

Thuy en Sang zijn al aan het rondkijken naar een andere bar, maar Phoenix heeft laten weten dat ze geen haast heeft. Ze staat tegelijk met de rest van het gezin op en als de andere Le’s het huis uit zijn, zet ze zich aan de taak die ze zichzelf heeft opgelegd. Gisteren heeft ze met een keukenmes fossiel vet uit verborgen hoekjes gekrabd, spinnenwebben verwijderd die zelfs voor een vlieg moeilijk bereikbaar waren en muren, vloer en plafond gesopt.

Pa klaagt dat hij in zijn eigen huis niet kan ademen en dat alles wat hij eet naar schoonmaakmiddel smaakt. Vandaag is Phoenix, in haar oudste pyjama en met een stofmasker voor, begonnen de muren te verven, waartussen een generatie Le’s is opgegroeid sinds ze voor het laatst een kwast hebben gezien. Ze weet zelf niet waarom. Alleen dat ze een onrust voelt die ze geen naam kan geven. Alsof er een wind van verandering is opgestoken en alles wat haar dierbaar is gevaar loopt te verdwijnen.

Dit haveloze huis, waar ze op elkaar leven als jonge katjes in een doos. Vaders geplaag en Moeders liefdevolle gemopper. Tommy met zijn twee spijkerbroeken en één paar slippers. Slimme Tommy, domme Phoenix, zo is het altijd geweest. En opa, die op zijn tachtigste haar eerste kind is geworden.

Misschien is het niet de toekomst die haar onrustig maakt maar de onontkoombaarheid ervan. En misschien is het het denken zelf. Ze strijkt de verf met woeste halen op de muur en probeert haar gedachten net zo wit te maken. Zo wit als wanneer ze zingt, met haar ogen dicht en de microfoon tegen haar lippen. Als ze op een plek is waar niemand haar kan zien. Het is niet goed om in jezelf te kijken, daar heb je niets te zoeken. En er valt niets moois te beleven. Alleen kwaadheid die ze niet begrijpt. Al het mooie zit bij haar van buiten.

Ze schuift opa een stukje uit de gevarenzone, voorzichtig om hem niet wakker te maken. Dan doopt ze de blokkwast in de emmer, maar ze strijkt de verf niet op de muur. Met de kwast in haar hand kijkt ze neer op de versteende gestalte in het mouwloze hemd en ze denkt aan de laatste woorden die hij heeft gesproken. De verf druipt op de vloer terwijl de herinneringen als een film in haar hoofd spelen. Ze glimlacht en dan komen er tranen in haar ogen. Ze merkt het niet en er is niemand om ze te zien.

Het was op de avond voor oma’s begrafenis, toen ze tegen middernacht aankwamen in het dorp in de heuvels en verstijfd van de brommers klommen, want het was hier zeker vijftien graden kouder dan aan zee. Door de ramen en de deuropening van pa’s ouderlijk huis viel licht over het erf. Ooms, tantes en buren kwamen naar buiten en er werden handen geschud en begroetingen uitgewisseld.

Waar op andere dagen het bankstel stond, lag oma onder een plexiglazen deksel. Een enkele stoel van donker hout was in de woonkamer achtergebleven. Hierin zat opa. Hij was in de twee jaar sinds ze voor het laatst in het dorp waren geweest twintig jaar ouder geworden. Oma daarentegen zag er beter uit dan toen, dood als ze was.

De paarse en donkerblauwe zijde van het traditionele gewaad stond haar goed. Ze was erg bleek, dat wel en haar gezicht leek meer dan ooit op een papegaaienbek. Maar haar rimpels waren goeddeels gladgestreken zoals ze daar lag, met haar grote neus in de lucht en haar handen samengevouwen op haar borst.

Tante Yen en tante Hoa zaten op hun knieën naast de kist te prevelen. Tussen hun vingers jakkerden de kralen van de rozenkransen elkaar achterna. Pa hurkte voor opa. De oude man keek hem een moment aan. Zijn handen, bruin als de aarde waarin hij zijn leven lang had gewroet, om de stoelleuningen geklemd. De knokkels groot en geel.

‘Vader,’ zei pa.

Je moeder is dood, jongen,’ antwoordde opa. ‘Zondag heeft ze nog voor de varkens gezorgd. Om vijf uur maakte ze hun eten, zoals ze altijd deed. Twee emmers. Toen ging ze op bed liggen en toen ging ze dood.’ Dat was de laatste keer dat iemand zijn stem had gehoord.

Tante Yen deelde dekens uit en ging voor naar een opslagruimte, waar een stuk van de vloer was vrijgemaakt voor wie wilde proberen wat te slapen. Aan Phoenix’ deken zaten ijzeren haakjes, wat het muf ruikende textiel ontmaskerde als een gordijn. Pa bleef aan de keukentafel zitten en praatte zachtjes met zijn broer.

Moeder knielde naast de tantes. Hun gebeden dreinden door de nacht, wegzakkend en aanzwellend, aanzwellend en wegzakkend, maar zonder ooit stil te vallen. Na een tijd begonnen hanen te kraaien en in het eerste daglicht ploegde het grijze Daewoo busje van de begrafenisondernemer door de modder van het erf tot pal voor de deur. Twee mannen in zwarte pakken met glimmende ellebogen en zitvlakken begonnen bloemstukken aan de kant te schuiven, op de vingers gekeken door de tantes.

Terwijl de levenden zich kleedden voor het afscheid, werd oma uit de tentoonstellingskist getild en in haar eigen kist gelegd. Het sluiten van de deksel klonk onverwacht luid in de kale kamer.

In het licht van een lage, koude zon trok de stoet naar de kerk.

Phoenix zag de plekken waar ze als kind in de vakanties had gespeeld. Er was weinig bijgebouwd en sommige huizen leken alleen maar overeind te staan omdat ze niet konden beslissen naar welke kant ze om zouden vallen. Tommy liep naast haar. Hij had last van zijn allergie en snoot zijn neus lang en vochtig. Toen nam hij zijn bril af, hield hem tegen de wolkenloze ochtendlucht en begon de glazen te poetsen met zijn zakdoek.

Moeder schudde haar hoofd en trok Tommy’s shirt een stukje uit zijn spijkerbroek, waar het strak ingepropt zat, zodat hij van achteren leek op een van die heel oude mannetjes die hun broek tot aan hun borst ophijsen.

In de kerk gingen de vrouwen links van het middenpad zitten en de mannen rechts. Het zonlicht dat door vensterloze openingen in de oostelijke muur naar binnen viel, trok bronskleurige strepen over de banken en liet zwart haar glanzen alsof het was ingewreven met palmolie. Het vrouwenkoor zong.

Toen ze de kerk uitkwamen, was de ochtendkoelte verdampt. Dikke, spierwitte wolken lagen tussen de heuvels. Oma’s laatste rustplaats was een rechthoek met een berg vochtige aarde ernaast. Terwijl de pastoor mysterieuze afscheidswoorden sprak, keek Phoenix door haar tranen naar de heuvelterrassen die begroeid waren met koffiestruiken. Vroeger had daar rijst gestaan. Het rimpelende groen van de jonge rijstplantjes was een van haar eerste herinneringen.

De kist ging het gat in, sigaretten werden opgestoken en de gasten slenterden in groepjes naar de poort van het kerkhof, nagekeken door twee mannen die op platte schoppen leunden. Pa liep naast zijn vader met zijn hand op de schouder van de oude man, die elk oogcontact vermeed en strak naar iets keek dat voor anderen onzichtbaar was en misschien ondenkbaar, buiten het dorp waar hij de laatste vijftien jaar niet uit was geweest en voorbij de landen van de levenden.

Boven de straat voor het sterfhuis was tentdoek gespannen en onder deze luifel waren mensen van het cateringbedrijf bezig kommen en glazen op de tafels te zetten. Phoenix verdween met haar moeder in het huis om iets makkelijkers aan te trekken. Oude nekken werden pijnlijk verdraaid toen ze naar buiten kwam in een nachtblauw jurkje. De eerste gang werd opgediend en ze begonnen te eten.

‘Hoe is het in de stad, Duc?’ vroeg een van vaders ooms, die van tante Yen. Pa overwoog zijn antwoord. ‘Net als hier, oom Vinh, sappelen om rond te komen en een familie te onderhouden.’

Oom Vinh knikte alsof hij bevestigd zag wat hij al vermoedde. Hij wilde weten of Hoc al van school was. Hoc was Tommy.

‘Sinds vorig jaar juni.’

‘O? En wat voert hij tegenwoordig uit?’

‘Hij beraadt zich op de toekomst.’

Wat hem als eenvoudige boer die niet noemenswaard buiten zijn dorp was geweest interesseerde, ging oom Vinh verder, was of de meisjes in de stad allemaal zo gekleed gingen als kleine Phuong hier, die overigens een hele meid was geworden sinds de laatste keer dat hij haar had gezien, wat was het, twee jaar geleden, of drie al? Phuong was Phoenix.

‘Daar let ik niet zo op,’ zei pa, wat hem gelach rond de tafel opleverde. Opa had het eten in zijn kom niet aangeraakt. Zijn eetstokjes zaten nog in het papier. Hij zat star en ineengedoken als een gargouille op zijn stoel en staarde in het niets.

Was het waar, vroeg een buurman, dat er een wereldwijde crisis aan de gang was, die ook dit land duur zou komen te staan en de positieve ontwikkelingen van de laatste jaren zou terugdraaien, met de dollar onder druk en wat nog meer, wat merkte Duc daarvan in de stad, waar alles eerder gebeurde dan hier in de binnenlanden? Pa antwoordde ja, alles leek elke dag duurder te worden en Moeder kwam klagend en mopperend thuis van de markt.

Dat, zei de buurman, was precies wat hij bedoeld had te zeggen en wat hij niet begreep was dat, hoewel de rijstprijs het afgelopen jaar met vijftien, sommigen zeiden met twintig procent was gestegen, geen enkele boer ook maar één cent meer voor een kilo rijst ontving, tenminste niet voor zover hij wist.

De kip werd opgediend. Pa schudde opa’s kom leeg onder de tafel en legde er een paar mooie stukjes borstvlees in. Hij pakte met zijn stokjes een reepje vlees op en hield het opa voor de lippen. Die opende zijn mond en liet het stukje naar binnen duwen. Hij maakte zelfs een paar kauwbewegingen. Toen vielen zijn kaken stil en hij keek voor zich uit met het vlees in zijn mond. Een sliertje hing tussen zijn lippen naar buiten.

Ook van het fruit wilde hij niet eten en toen de kommen en de schalen waren afgeruimd en aan de tafels waar mannen zaten literflessen en kleine glaasjes uit plastic zakken kwamen, werd hij niet levendiger, al had hij altijd bekend gestaan als een liefhebber van gedistilleerd.

Gasten vertrokken. Anderen liepen van tafel naar tafel om handen te schudden en bekenden op de schouder te slaan, tot ze een tafel vonden die hen beter beviel dan andere en zich op een lege stoel lieten zakken. Een buurjongen vroeg Phoenix of ze meeging om zijn stekelvarkens te zien. Dit aanbod wees ze van de hand, maar ze stemde erin toe om straks kleren te passen met twee dorpsmeisjes. Het gesprek kwam op de koloniale tijd, zoals altijd wanneer tachtigjarigen drank krijgen voorgezet.

‘Wist je dat wij vroeger verplicht echte cognac en whisky moesten drinken, jongen, van de regering, wist je dat?’ vroeg oom Vinh aan Tommy.

Tommy begon te zeggen dat hij het verhaal kende, maar oom Vinh ging al verder. ‘Het was voor jouw vaders tijd. Voor de opstand zelfs. Dat de overheid besloot dat er teveel accijns verloren ging omdat iedereen in die dagen zelf zijn drank stookte. Dat werd toen verboden, stoken. Het spul drinken ook.

Om zeker te zijn dat dit verbod werd nageleefd, moest elk dorp officiële drank afnemen. Eerst werden de volwassen mannen geteld en dan kregen we te horen hoeveel drank we moesten kopen. Voor tien keer de prijs van het huisgestookte spul of daaromtrent. Elke maand kwam er een nieuwe voorraad, met een escorte van soldaten en een soort van boekhouder die het geld incasseerde. Zo was het leven, jongen, voordat we de bezetter ons land uitgooiden.’

‘Goed spul wel,’ zei oom Tam van tante Hoa.

‘Daar gaat het niet om, goed spul of niet,’ zei oom Vinh. ‘Als ik nu officiële whisky of cognac wil drinken, ben ik vrij om dat te doen of te laten. Het gaat om de uitbuiting van het vaderland door buitenlandse imperialistische machten.’ Hij stak zijn glaasje uit. Pa schonk het vol. ‘Nietwaar, Duc? Bij jou in de stad komen ze tegenwoordig met vliegtuigladingen tegelijk heb ik me laten vertellen, buitenlanders. Hier hebben we er godzijdank in geen dertig jaar meer een gezien.’

Pa lachte. ‘Maar het verschil is dat ze vroeger kwamen om te halen en nu om te brengen.’

Oom Vinh wilde weten wat hij hiermee bedoelde en pa zei dat hij toeristen bedoelde en de toewijding waarmee ze probeerden van hun geld af te komen. Internationale samenwerking heeft de toekomst, zei hij, maar laten we het niet over de stad hebben, hij was benieuwd naar het dorp, was hier nog iets gebeurd de afgelopen twee jaar?

De buurman die naar de wereldcrisis had geïnformeerd vroeg of Duc zich de oude Ba herinnerde, die boven de familie Luu woonde en bijna haar hele leven weduwe was geweest. ‘Ja,’ zei pa. Welnu, de weduwe Ba was door een geest bezeten geraakt, niet langer dan een maand geleden, de regens waren net begonnen, en door het dorp gaan lopen met wapperende handen en felle ogen, terwijl ze sprak in een vreemde taal die mogelijk Cambodjaans was of nog vreemder. De jongere kinderen waren machtig geschrokken en sussende woorden en gebeden onder aanvoering van de pastoor hadden niets uitgehaald.

Na twee dagen was iedereen het spektakel meer dan moe en werden voorbereidingen getroffen voor een serieuze geestuitdrijving. Die bleken overbodig, want op de ochtend van de derde dag werd Ba onder een mangoboom aan de ingang van het dorp aangetroffen, waar ze aan een lage tak hing. Die nacht hadden zowel Duy als zijn vrouw Kim, die in het eerste huis woonden, de geest horen gillen in dezelfde boom waaraan Ba zich had opgeknoopt. Het was een ijskoude gil die door merg en been ging en de haren overeind deed staan, zei Duy, en samen met zijn vrouw had hij een Onze Vader en een Weesgegroet gebeden.

Er werd een tijdje gezwegen. Pa’s broer schonk de glaasjes vol. De zon verdween achter een asfaltkleurige wolk, de luifel klapperde in een plotselinge windvlaag. Oom Vinh keek pa aan over de tafel. Kwaad, leek het. ‘En wat heb jij daaraan, dat toeristen hun geld komen brengen? Een arme sloeber uit de bergen net als wij allemaal hier. Heb jij soms magische krachten opgedaan in die bandeloze stad van je, waar de vrouwen erbij lopen als dansmeisjes?’

Pa dacht na. ‘Ik zou het geen magische krachten willen noemen, oom Vinh. Het is heel simpel. Om aan toeristen te verdienen, moet je ze begrijpen en hun taal spreken. Westerse mensen zijn eenzaam en verveeld en hebben last van schuldgevoel als ze de armoe hier zien. Daar moet je mee werken, zo simpel is het. En ze spreken allemaal Engels, of een soort van Engels. Daarom heb ik de tweeling van jongs af aan Engels laten leren en Engelse namen gegeven naast hun doopnaam. Zelfs Moeder spreekt een beetje Engels. Internationale samenwerking is de toekomst, oom. Daar moeten we ons op voorbereiden.’

Oom Vinh schudde het hoofd om zoveel stadse pretenties en begon in zijn glaasje te staren alsof hij op een reactie broedde die alle verdere reacties overbodig zou maken. Opa was wat weggezakt in zijn stoel. Hij had zijn ogen gesloten en zijn mond hing open. Op zijn slaap klopte een dikke blauwe worm van een ader.

Oom Vinh zette zijn glaasje met een klap neer en hees zich op aan de tafelrand. Zwaar op het tafelblad leunend, liet hij weten dat hij zijn geweer ging halen dat nog uit de oorlog kwam en waarmee hij niet weinig buitenlanders naar hun buitenlandse hel had geholpen, Engels sprekende zowel als andere buitenlanders en die hoerenzoon van een geest in de mangoboom de broek van zijn dunne kont ging schieten. Toen beende hij, niet recht maar doelbewust, naar zijn huis, waar hij onder het muskietennet kroop en in slaap viel met zijn zwarte begrafenisschoenen aan.

Oom Tam, die in tegenstelling tot oom Vinh wel in de oorlog had gevochten en een stuk van zijn rechteroor miste om dit te bewijzen, keek pa aan met zijn zachte, vochtige ogen. ‘In al die jaren dat we vochten,’ zei hij, ‘eerst als opgejaagd wild en later als de jagers, voelden wij met grote zekerheid dat wij de goeden waren en zij de slechten. Maar gevoelens worden oud en zwak, net als mensen en dit land heeft in duizend jaar strijd geleerd zichzelf te genezen.

Nu is het ons gegeven te zien dat in hun ogen wij de slechten waren en zijzelf de goeden. Daarom kunnen we zeggen dat goed en slecht twee woorden zijn voor een en hetzelfde en dat alles wat wij slecht noemen ook goed is. En ik wil zover gaan om te beweren dat dit ook geldt voor het leven en de dood.’

Pa knikte maar hij wist niet wat hij hierop moest zeggen en of er iets gezegd moest worden. Om hen heen stonden gasten op en het personeel van het cateringbedrijf begon tafels in te klappen en stoelen op te stapelen. Pa’s broer legde zijn hand op die van pa en boog zich naar hem toe. ‘Denk je dat je het aankunt met vader?’

Phoenix keek naar opa en zag dat er twee tranensporen van de gesloten ogen naar de mondhoeken liepen. ‘Natuurlijk,’ zei pa. ‘De afleiding in de stad zal hem goed doen.’ Verder werd er niets gezegd, want alles was al lang tevoren besproken en besloten.

Terwijl pa in een hangmat tussen twee klapperbomen een lichte roes weg sliep, beraadslaagden de tantes wat ze opa mee zouden geven. Uiteindelijk stonden er op het stoepje voor de deur een koffer – die ooit met een stoomboot uit Frankrijk was gekomen en via een onnaspeurbare route in het dorp verzeild was geraakt – en een bultige vuilniszak, met meters tape omwikkeld als een mummie met overgewicht. Wat er aan begrafenisgangers over was, kwam naar buiten om afscheid te nemen.

Zwaaiend en claxonerend reden ze het dorp uit, onder een hemel die was gestold tot een loodzwaar donkergrijs. Het was twee uur in de middag. Pa had laten weten dat hij schatte dat ze om middernacht thuis zouden zijn. Dat betekende dat ze twee uur sneller zouden moeten rijden dan op de heenweg, wat hem te doen leek omdat de weg nu voornamelijk omlaag ging. Opa zat bij Tommy achterop. Zijn hoofd, gestoken in een helm van antiek model, rustte tegen de rug van zijn kleinzoon.

Het begon te regenen. Ze reden door in de hoop dat het om een plaatselijke bui ging en omdat het altijd makkelijker is om door te gaan dan te stoppen en je af te vragen waar je mee bezig bent. Oom Tam zou gezegd kunnen hebben dat dit de enige reden is dat er soldaten en oorlogen bestaan. Het begon harder te regenen. Ze stopten en trokken de regencapes aan en reden verder.

 

Duc en Moeder hadden een tweepersoons cape met twee capuchons, zodat ze zich als een gemotoriseerde rode kameel door het hoogland bewogen. De tantes hadden geen cape voor opa ingepakt. De achterflap van Tommy’s cape werd over hem heen getrokken en hij verdween grotendeels uit het zicht. Het begon te stormen. Het regende en het stormde tot aan de voet van de laatste afdaling, toen ze niet verder dan twintig kilometer van huis waren en pa’s horloge half vijf in de ochtend aanwees.

In de oude tijd, toen weinig mensen konden lezen, wemelde het land van rondreizende verhalenvertellers die de ondernemingen van koningen en strijders bezongen. Er zou zo’n bard voor nodig zijn om de tocht te beschrijven.

Hoe de koude regen handen en gezichten striemde, zich in tot spleetjes geknepen ogen boorde en als voodoodrums insloeg op de helmen boven de capuchons.

Hoe stormvlagen de slippende en sputterende brommers uit hinderlagen besprongen en ze van links naar rechts werden geduwd tussen de druipende rotswand en de inktzwarte afgrond.

Hoe de remmen stroef waren van het water in de remschoenen en de koplampen een zwak oranje of bleekgroen licht wierpen door de capes, die strak om het stuur werden geblazen en de flanken van de bestuurders en passagiers ranselden met het geluid van knallende zwepen.

Hoe ze zwoegden om overeind te blijven in rivieren die sneller stroomden dan de brommers reden, in die lange, lange afdaling naar de kust.

Het begon licht te worden toen ze aankwamen. Opa’s armen, die ze bij het vertrek om Tommy heen hadden geslagen, werden losgemaakt en hij werd van de brommer getild, maar hij was niet tot een autonome beweging in staat en werd uitgekleed en afgedroogd en in bed gelegd in de houding waarin hij vijftien uur op de buddyseat van de Honda had gezeten.

Moeder trok een deken over hem heen en met z’n allen keken ze een tijdje op hem neer. ‘Je gaat niet dood, vader, hoor je me?’ zei pa. ‘Ik moet er niet aan denken dat we je weer helemaal terug moeten zien te krijgen voor de begrafenis.’

 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

4 Comments

  1. Wat een geweldige auteur is Rob Verschuren. De beeldspraken en vergelijkingen zijn zo aansprekend dat je de scenes zelfs kunt ruiken. Ik ben een grote fan en verheug mij op het vervolg van deze familie en op andere verhalen, hier op deze site, maar ook bij de Aziatische Tijger…waar hij ook hij schrijft, ik lees.

  2. Alle vijf de afleveringen ademloos gelezen. Het was alsof ik bij de Familie Le in huis zat, of in de karaoke bar met Phoenix. Liefde en respect voor de mensen waarover je schrijft, lees ik tussen de regels door. Ik ben even stil.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.