Copyright ©Antonin Cee en misantrope mannetjes


Een gelukssprong op een winterse dag in Chiang Mai

 

Antonin Cee. copyright, eigen en ander
©Antonin Cee

Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiang Mai en voert themareizen uit. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com.

 

Klimatologische verandering, we krijgen het allemaal dik belegd op ons brood. De aarde warmt op en als het even kan in onze vrije tijd, steken we de hand in eigen boezem. Wie wind zaait zal storm oogsten, nietwaar?

Maar in Chiang Mai, was het de afgelopen decembermaand akelig koud. Geen straaltje tropenzon te ontdekken. Dagenlang was de lucht viesgrijs en ’s nachts gingen de temperaturen richting vriespunt. Totdat op een avond de hemel het niet langer kon ophouden er haar blaas leegde. Vreemd zo’n regenbui net voor kerstmis.

De natuur was duidelijk van slag af. Maar dat is onzin natuurlijk, want uiteindelijk blijft die altijd zichzelf. Ze reageert alleen maar mechanisch op al die mensgemaakte ingrediënten, die ze in de vorm van CO2, drijfgassen, houtkap en brandstichting voor zijn kiezen krijgt. Een mening heeft ze er niet over. Een verwachtingspatroon evenmin. Dat laat ze aan ons over.

Chiang Mai stad slokt steeds meer land op

De volgende ochtend likte de zon als een opgewonden hond die zijn baas lange tijd niet gezien heeft, aan een diepblauwe hemel en liet het licht rondstormen. Ik herademde, pakte mijn fiets en trok er op uit om de dag te plukken. Naar Ob Khan ging ik, een Nationaal Park genoemd naar het riviertje dat er doorheen stroomt.

Het park, ruim 480 vierkante kilometer, ligt op een dertig kilometer ten westen van Chiang Mai. Als hoogste punt heeft het de Tian berg met zijn 1550 meter opkijkend naar de Doi Inthanon, die met duizend meter méér ligt te pochen in de verte.

Langs het irrigatiekanaal, dat in droge tijden voor een tweede oogst zorgt, fietste ik erheen. Het ene villadorp na het andere; de velden zijn hier de laatste jaren behoorlijk ingekrompen. Overal wordt gebouwd, geklopt en gespateld. Stad Chiang Mai usurpeert steeds meer land. Een zwart gat, dat zijn omgeving opslokt. Kan dat alsmaar doorgaan?

Ze keken me aan met uitgebluste ogen

Daarna een landweggetje dat plat begint, maar de laatste kilometer zijn een stevig klim, die ik alleen terugschakelend naar de kleinste tandjes kan halen. Met kubieke meters tegelijk slikte ik de lucht naar binnen en mijn tong hing als een rode sjaal af op mijn borst.

Toen ik het de eerste keer deed, was het zoeken, wat wel vaker gebeurt als je door het Thaise achterland trekt. Een vertakking en geen bord te bekennen. Maar kijk eens aan, daar liep een paartje op de weg. Gestoken in lichtblauwe pyjama’s zijn ze opgewekt bezig aan hun ochtendwandeling. Het moet al tegen het middaguur geweest zijn, maar in Thailand verbaast dat niet meteen.

‘Ob Kan?’, vroeg ik en toen ze me zwijgend bleven aanstaren nog maar eens, ‘Ob Khan?’ Ze keken me aan met uitgebluste ogen, maar gaven geen sjoege.

Iets verderop trof ik nog een paar lieden in idem outfit en stelde dezelfde vraag. Ook zij riposteerden met dezelfde nietszeggende blik, maar er was geen woord uit ze te krijgen. Ik gaf het op en fietste op goed geluk verder.

Thais zijn normaal gesproken aardig interactief, maar na een bocht in de weg begreep ik hun zwijgen. Want daar was plots de ingang naar Suan Pru, een psychiatrische inrichting, die ook in Chiang Mai een afdeling heeft. De zwaarste gevallen worden, goed uit het zicht, in dit buitenverblijf ondergebracht. En flink onder de kalmeringspillen gezet, die je elke opkomende lust tot oreren ontnemen.

 

Antonin Cee, copyright, eigen en ander

Je krijgt het ineens over het vrouwelijke grotje

In feite is Ob Khan de naam van een bergengte, waar het riviertje zich doorheen perst met een paar aardige stroomversnellingen, die in het regenseizoen naar categorie 4 hellen. Eenmaal door de kloof heen drentelt het stroompje op zijn gemak door het heuvelende land en is zelfs als de moessonregens haar flink doen aankomen, op de meeste plaatsen niet meer dan een meter diep.

Entreegelden worden er niet geheven, maar het is een weinig bezochte plek. Behalve op zon- en feestdagen als dagjesmensen uit de buurt er komen picknicken met de rondslingerende rotsblokken als tafel.

Vanaf het hoofdkwartier van het park voert een stenig paadje langs Ob Khan naar een hogerop gelegen kloof, een tippel van een kilometer of vier. Dat is de Ob Hi, een compromitterende naam als je de Thaise taaltoon niet weet te houden, want dan krijg je het ineens over het vrouwelijke grotje.

Ze wilde weten hoe de tuin er uit zag als niemand keek

In de diepte beneden me trekt de rivier gorgelend voorbij en knabbelt aan de rotsen met witte tanden. Het is een stralende dag en het land ligt er bij als een Chinese houtdruk met wuftige bamboepartijen. De zon slaat een roffel op de rotsen en als je goed luistert hoor je ze vibreren. Dit zijn streken waar – nog nog niet zo heel lang geleden – niemand naar omkeek en de natuur zijn gang kon gaan. En heerlijke plek, aan zichzelf overgelaten.

Onwillekeurig moest ik denken aan dat verhaaltje van Sartre over een meisje, dat wilde weten hoe haar tuin er uit zag, als niemand er naar keek. Om de tuin te laten weten dat ze wegging, liep ze luidruchtig zingend door de poort naar buiten. Even later sloop ze terug naar de muur en gluurde er stiekempjes overheen. Natuurlijk trof ze alles aan als voorheen. Conclusie: er is geen niet- waargenomen tuin. Alles het zijnde is op de een of andere manier gezien. Al is het alleen maar in de geest. Het zei zo, filosofisch, ja?

Alles is zo langzamerhand bezet, opgegraven, verkend en gesondeerd

Maar in praktijk ontdek je graag zo het een en ander. En dan liefst dingen die er eerst niet waren, zoals toen Columbus naar Amerika trok. Al hangt het er in dit geval ook van af over wie je het hebt.

De Vikingen namen er eerder al een kijkje en volgens Gavin Menzies in zijn boek 1421 de Chinezen ook.Tientallen jaren voordat het laatmiddeleeuwse Europa de weg erheen vond. Met schepen, groot genoeg om er moestuintjes op te houden. Scheurbuik kwam niet voor. Gavin Menzies is een voormalige duikbootkapitein, die dit soort dingen kan weten. In de Chinese annalen wordt er geen gewag van gemaakt.

Nieuwe plekken. In deze overvolle wereld zijn die praktisch niet meer te vinden. Alles is zo langzamerhand bezet, opgegraven, verkend en gesondeerd. Aardig vol is het geworden. We weten het allemaal, natuurlijk, maar wat doe je er aan? Zijn er voor der hand liggende oplossingen? Breng ze me…

De mensheid is een bacteriologische infectie van de aardkorst

Maar een volgeling van Bas Landsdorp, die op Mars mikt, ben ik ook niet. Over een jaar of tien wil hij een begin maken met de kolonisatie en de eerste vier pioniers afleveren. En daarna elke twee jaar weer vier, allemaal enkele reis, want de technologie om ze terug te halen ontbreekt.

Een serieus plan en prachtig voor reality TV. Misschien is er op Mars biologisch te overleven, al noemen sommige NASA-specialisten het een zelfmoordmissie. Maar het zijn mijn vergezichten niet, al zal een toekomstige generatie er misschien aan weten te wennen. Ik ben nu eenmaal dol op deze aardse landschappen.

Stig Dagerman, een Zweedse schrijver, zei het ooit al. Je kunt alleen houden van wat je kent. Zelf moet hij niet al te veel gekend hebben, want na twee romannetjes pleegde hij zelfmoord.

Nog wat pessimistischer: Stalin noemde de mensheid een bacteriologische infectie van de aardkost. Ik verzeker hier ter plaatse, dat ik aan linksrabiate verzoekingen – als ik ze ooit al heb gehad – nooit heb toegegeven. Een misantroop mannetje, was hij, zoals zo veel dictators. Maar een punt had hij wel.

Ze maken een paar danspasjes en lopen naar de rand

Antonin Cee, copyright, eigen en anderAls ik bij Ob Hi aankom, staan een paar jongetjes op een uitstekende klif, dreumesjes van een jaar of acht met niet meer aan dan wat ze bij geboorte meekregen.

Ik zet me neer op een rotsblok en zwaai naar ze. Ze wuiven terug, schuifelen wat rond op hun rots, maken een paar danspasjes op denkbeeldige muziek en lopen naar de rand.

Een langgerekte kreet – ’loeeeei’ – en daar gaan ze, de een na de ander, een sprong van een meter of tien in de diepte, waarbij ze ook nog zeker twee en een halve meter voorwaarts moeten zweven om over de uitstekende lager gelegen rotsen te komen. Ze scheren er net overheen. Een paar minuten later staan ze al weer boven, maken hun danspasjes en ‘loeeei’, daar gaan ze weer.

Daar neerkomen, links van de rots

Als ze weer boven komen wenken ze me en ik klauter naar ze toe.
‘Kom, springen?’ Ze wijzen naar beneden.
Ik aarzel, want met het klimmen der jaren ben je op bepaalde gebieden niet meer zo zelfverzekerd.
‘Hoe diep is het daar?’, vraag ik ze.
Een van de jongetjes laat zijn hand zo hoog mogelijk boven zijn hoofd zweven.
‘Daar neerkomen’, wijst hij aan in de rivier beneden, ‘links van de rots.’

God zegene de greep, denk ik, terwijl ik mijn jeans en T-shirt uittrek, benen op tijd intrekken. En daar sta ik op de rand, schat de afstand naar het rotsblok onderweg, hurkhouding, afzet en hup, daar ga ik.

Het water, dat direct uit de bergen komt, is ijskoud en ik ben er meteen weer helemaal bij. Naast me nog twee plonsen en daar zijn de jongetjes ook. We zwemmen wat rond, snuiven, proesten, duwen elkaar kopje onder en houden een wedstrijdje om te zien wie het langst onder water kan blijven.
Twee kort geknipte bronzen koppetjes met licht geloken ogen duiken onder in het kleibruine water. Tuk en Toy heetten ze, komen uit een dorpje in de buurt. De een is zeven, de ander acht. Op het brommertje van hun vader zijn ze hierheen gereden. Nooit te jong om te leren.

Uiteindelijk slagen we erin overal aan te wennen

Thailand is een gedereguleerd land, dat voor ons – gewend als we zijn aan de betutteling van een ambtenarenkorps van regelneven, een bijzonder aantrekkelijke kant heeft. In Nederland zou je voor dit soort activiteiten – gesteld dat we dit soort natuurplekken zouden hebben – eerst een soort van afspringbewijs moeten halen, compleet met medische verklaring en pasfoto.

Maar uiteindelijk slagen we er in overal aan te wennen. In de zestiendeeeuw zette de tiende penning van Alva aan tot opstand tegen het Spaanse regiem. Tegenwoordig betalen we zonder morren méér dan twee tiende penningen aan BTW alleen, het kwartje van Kok en al die andere bijdragen, die geheven worden. De staat eist steeds meer ruimte op uit wat we voorheen beschouwden als ons privé leven. Ook een zwart gat dat alles in zich opzuigt.

Over niet al te lange tijd betalen we accijns op de lucht die we inademen, om in zee te zwemmen, een strandwandeling te maken…Kafka ligt zich te verkneukelen in zijn graf. De toekomstmens zal er mee moeten leven.

De druk der schaarste. Sommige economen zien dat als de drijvende kracht achter alle innovaties en omwentelingen. Gingen we niet pas naar steenkool zoeken, toen het hout op was? En werd daarom de stoommachine niet uitgevonden om de mijnen droog te pompen? Het zal wel. Maar ik weet niet zeker of ik het op prijs stel deze dingen te weten.

Ooit zal hij leven met dingen die ik niet kan bevroeden

We klimmen de oever weer op en bij de kantine van het park koop ik plakrijst, gefrituurde kip, papaya salade en een stevig gekruide soep van broodvrucht en varkensribbetjes, een van mijn favorieten in de noord-Thaise keuken.

We zetten ons neer aan de waterkant om alles op ons gemak op te peuzelen. De zon, die al op zoek is naar zijn nest achter de bergen schminkt zijn bloedrode wangen met een paar roetstrepen van wolken.

‘Kom je volgende week weer?’, vraagt een van de jongetjes. Ooit zal hij leven met dingen, die ik niet kan bevroeden. Hijzelf ook niet trouwens. Misschien is dit park straks een van de weinig resterende longen rond Chiang Mai en loopt het dagelijks vol met joggers. Of worden de hellingen bestikt met de greens van een golfbaan. Of laat hij zijn hersens koppelen aan een computer om cerebraal te kunnen facebooken.

‘Misschien’, zeg ik, ‘misschien, lae tae.’. Het hangt er van af. Het antwoord is goed genoeg. Waar het van afhangt, vragen ze me niet. Thaise discretie. Laat iedereen zijn ruimte.

Ik wil roeien met de riemen die ik hebAntonin Cee, copyright, eigen en ander

Ongecompliceerd genieten van de kleine dingen des levens. Les petits plaisirs de vivre, goede dingen om mee bezig te zijn. Ik houd zielsveel van deze aarde en al de toverplaatjes die ze ons voorhoudt. Een ironische geest merkt daarbij misschien op: prachtig, je hebt immers geen andere. Dat klopt. Helemaal gelijk. Reden te meer om er goed op te passen. En het maakt de kunst om te houden van wat je hebt er niet minder om.

Socrates, had als enige pretentie niet meer te weten, dan wat hij wist. Ik wil ook roeien met de riemen die ik heb en beperk me tot het liefhebben van deze enige, unieke aarde. Het lukt me aardig, tot nu toe, nog wel, nog wel…

 


Antonin Cee
Over Antonin Cee 186 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

3 Comments

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.