Panorama van een verloren landschap

Een bericht uit China, de grootste bouwput ter wereld, een verhaal waarvan telkens een regel werd geschreven tussen 1998 en 2005. Vooral indrukken van de provincie Yunnan met Kunming als hoofdstad, een uurtje vliegen van Chiang Mai, waar weinig nog aan Thailand doet denken.

China; een land dat tegen de klippen zichzelf lijkt op te stoten in een vaart die vooralsnog uit eigener beweging niet zal stoppen.  Breken, bouwen en de tol betalen, door het machinaliseren van arbeid, een groeiend leger werkelozen. In de stad hangen ze rond, lusteloos bij elkaar, veelal in de buurt van het station waar ze aankwamen in de hoop een graantje mee te pikken op de steiger.

Tevergeefs, ondanks Chinese lonen laag zijn, nagenoeg de enige voorwaarde waardoor een economie kan groeien als kool. Een waanzinnige groei wellicht, die vroeg of later een natuurlijk halt wordt toegeroepen en dan in zak en as steekt, zich beklaagt of als zielig gedraagt.

Robert von Hirschhorn, China, Landschap, Panorama

De troost van schoonheid

Hoe kleine rustieke middelgrote plaatsen werden bedolven onder beton en onherkenbaar hun karakter zagen veranderen en miljoenen steden werden. Hoewel, als het oog wat meer wil dan slechts flaneren volgens de gids, er nog genoeg onvervalstheid valt te ontdekken.
De kleine dingen van herkenning als men zomaar een zijstraat inslaat, om de hoek waar het lokale geluk je als het ware toelacht ofschoon het eveneens zeer van lijden kan zijn.

Met een maandelijks inkomen van nauwelijks meer dan honderd euro, heeft de gemiddelde Chinees het alles behalve breed. Dat daarentegen inmiddels er een klasse bestaat die zich door de liberalisering flagrant wist te verrijken, staat in schril contrast. Het oligarchen effect zoals ook Rusland dat aan den lijve heeft ondervonden.

China; onwillekeurig krijg je als ‘Hollandse boer’ allerlei beelden voor ogen, bedrieglijke beelden, die het volk en haar cultuur in een soort van Aziatische mystiek laten verkeren. Helaas, niets is minder waar. Die cultuur is tot museum verworden, een herinnering achter glas, een stofvrij bewaren voor later, als het werkelijke weten allang ligt begraven in dat stof.

De troost van schoonheid, wanneer om sentimentele reden midden in de stad (Kunming) een oude cultuurplaats weer tot leven wordt gewekt. Iets dat Mao Zedong (1873-1976) verwoed heeft gesloten en veelal erna met de grond gelijk liet maken.

Een fraaie tempel, maar met gewin in gedachten, winkeltjes, gelukkig in lijn en stijl van het gebouw. Als het om devotie gaat zal het lang duren eer men begrijpt.

Robert von Hirschhorn, China, Landschap, PanoramaWaar het werkelijk om draait blijft een verborgen zaak. Een ongenaakbaar stadsleven; het consumptieparadijs. Voor een doorsnee Chinees alleen ijs, het hoofd koel houden en niet laten verleiden hoe verleidelijk de zaken ook mogen zijn. Slechts minzaam langs de uitgestalde waren slenteren, een weten dat het alléén maar prachtig is aan de buitenkant. De innerlijke leegheid van schone dingen, het eraan vergapen, waarna het vol en steeds voller lijkt te worden in de onbereikbaarheid van willen hebben.

Arme Chinees, hij die op barre grond eeuwen voor zijn bestaan heeft moeten knokken, nu het Luilekkerland aan zich voorbij ziet trekken, en niets, maar dan ook niets in stelling kan brengen dan blindelings zich erbij neerleggen. De pijn, de woede, de haat om hetgeen de hoge heren voor hem hebben beslist, gesmoord in een hartgrondige vloek binnensmonds, zijn enige wapen tot verweer, het zal niet worden gehoord.

De versleten idealen

Ver weg in Beijing woonde een bejaarde leider die na rijp beraad had besloten het oude pad te moeten verlaten. Geleidelijk, dat wel, zoals alles ooit door hem werd geleid.

De commune, een bolwerk vol arbeidersidealen, van veel gelijkheid, vooral op papier.

De oude man, waarschijnlijk veel naar CNN gekeken, verblind door enerzijds de maat van materialisme, anderzijds de haat die mensen met knuppels elkaar te lijf laat gaan voor een klein beetje meer, een klein beetje beter, en duizend andere metaforen waarmee hij zijn bestaan heeft vorm gegeven. De wijsheid en waarde van Confucius, Lao-Tse of Boeddha, voldragen in de wind geslagen.

Een oude boom buigt naar het water. In haast rimpelloos nat koestert zij haar eigen spiegelbeeld. Zo staat zij er al jaren en droomt alle leven langzaam voorbij.

De opmaat van een eeuwenoud sprookje, de weelde van het geloven of vooringenomenheid, sterker nog, de zekerheid dat het zo zal zijn.
In de lente kan de knop ontluiken, als het herfst wordt valt een blad, de boom kent haar knopen onder de hemel van het eeuwen oude rijk.
In het najagen, de nadagen van wat eens een bloeiende cultuur was, zal de stam langzaam verder buigen, totdat zij met haar top het water raakt en stilaan vergolft in de vloed die daarop volgt.

Een stil verdriet

Hier en daar vindt men nog de kruimels van wat eens een fraai geheel moet zijn geweest.  Een vakkundig uit het weerbarstige steen gehouwen oriëntaalse versiering van een klassieke brug, hoog gebogen over minzaam stromend water, zwaar vervuild, ergens op een van de plantsoenachtige wandelpaden, het verlaten tracé van een trein die zich ooit dwars door de binnenstad slingerde.

Een magnifiek houten huis tot in detail geconserveerd, zodat de sfeer van gisteren ook vandaag het zinnebeeld kan prikkelen. Sluit de ogen voor het gewoel van nu, en zie hoe voor de deur in alle rust een paar oude mannen de tijd laten verstrijken.

Mannen van stand, met karakteristieke koppen, een diep doorgroefd gelaat vol Oosterse wijsheid. Een tot dunne vlecht gedraaide snor die sierlijk een haast even lange sik omlijst. Hun lijf omhuld met de mantel van vervlogen heldendom der keizerlijke garde.

Mannen als uit het land van Duizend-en-een-nacht, praten over verlies, onder het genot van een glaasje thee en heel misschien een pijpje opium om de last van hun moment in verdoving te verdragen, want alleen in sprookjes is alles altijd koek en ei.

Robert von Hirschhorn, China, Landschap, PanoramaHet huis bestaat; een verdwaald relict aan de sloophamer ontsnapt, in een der vele smalle zijstraten, waar de grip van vandaag weliswaar vat heeft gekregen maar niet lijkt te passen in het geheel. De schijn van tevredenheid bij het oude, een anachronistisch wandelen langs de vergankelijkheid, zonder opium of thee, om even later een milkshake te drinken bij een van de Amerikaanse hamburger giganten die hun naam schreeuwerig over de wereld hebben verspreid.

Het huis bestaat; een schrale troost voor een verdwaalde om zich aan vast te klampen, om zich zonder meer, en ook zonder gêne, even te kunnen laten gaan.  Verdriet om verlies, is stil verdriet, en de vraag rijst of een Chinees wel wil huilen?

Heel de verandering wordt blindelings aanvaard ondanks dat het teloorgang is waarvoor zij staat. Helaas, het is geen volk van klagers, veeleer dragers van geduld, begraven in de schaduw van een machtige oude cultuur, blijven het banale wensen die worden vervuld.

Een trein voorbij de eeuwigheid

Een ruig terrein glijdt aan het venster voorbij. Zomaar ergens in ’t nergens, een aantal jongetjes in de hoedanigheid waarin zij ter wereld kwamen, spelend met het nat van een ogenschijnlijk kalme rivier, het bedrog van een bijna drooggevallen sloot. Wacht maar tot er regen naar beneden komt en de knapen zich niet langer in het water wagen, bang te zullen worden meegesleurd.

Robert von Hirschhorn, China, Landschap, PanoramaHet beeld blijft een enkele tel bevroren op de bewegende ruit en verdwijnt achter ’t grauw van aan erosie onderhevige stenen.  Een landschap van verlatenheid; hier woont niemand of wil iemand niet meer wonen, waar de jongetjes vandaan komen blijft vooralsnog een vraag.

Ergens staat eenvoudige bebouwing, een dak tegen het meest erbarmelijke dat van boven komt. Het woord huis mag misschien een betekenis hebben voor hen die er niet beter wetende in wonen, de werkelijke waarde is anders gebouwd.
In eenvoud gekomen, in eenvoud zullen gaan, en tussentijds het sappelen voor een mager bestaan. Armoede; een begrip dat vraagt om een

pas op de plaats, omdat het veeleer iets is dat hevig leeft in de ervaring van een ander, en heel wat minder bij hen die het etiket arm krijgen opgeplakt ofschoon dat geenszins onverlet laat iets aan hun situatie te verbeteren.

Geluk in ellende kan een buitenstaander niet zien, laat staan bepalen.

De macht van het massale

Een land in beweging, de gelatenheid der Chinezen, die een etmaal of langer achter het rijdende raam hun land aan zich zien voorbij trekken. De hulpeloosheid van lijdzaam het uur verdragen waarin de trein in alle gezapigheid de lassen op de rail laat wegtikken, het geluid van staal op staal is het enige constante.

Een pandemonium van kleine lieden op drift tussen steden doch vooral hun onhebbelijkheden. Een slaapwagon met zestig britsen, waarop het vrijelijk kwekt en kakelt, waarop het kucht en hoest, noest de keel eens schraapt. Als de trein tot staan is gekomen, het zagen – wiede-wiede-wagen – er hangt hevig gesnurk in de lucht.

Het irritante trillen der menselijke membranen, dat door het ratelen der wielen even later, Boeddha zij geprezen, weer zal worden overstemd.

In de smalle gang naast de open compartimenten, is het een voortdurend gaan, vooral het personeel is veel intern onderweg. Nee, geen kaartjes knippen, dat gebeurde al voordat men aan boord ging, en nadien geruild voor een fiche, terwijl het kaartje zelf keurig in een map werd gestoken. Zelfs grijs rijden is uitgesloten, tenzij men zich verstopt onder een bank, en daar wordt met tussenpozen naar gekeken.

Het is veeleer socialiseren, gezellig bij elkaar in de restauratie, een beetje beppen, een hapje eten, en vervolgens met de pannen aan de wandel om die weer schoon te krijgen.

Het enige strakke is een stationnement, de ijzeren discipline der Chinese spoorwegen, als een conducteur of conductrice voor de toegang van iedere wagon, keurig in het gelid, de zaak bewaakt. Gaan op het perron en vertrek, heeft veel weg van een militaire operatie. Vooralsnog is dat goed, moet het vooral zo blijven, het immense aantal vraagt nu eenmaal om straffe maatregelen. Ongecontroleerd bewegen zou de zaak volledig doen vastlopen.

De mens gereduceerd tot mier, fier zijn krioelen, en altijd weer blindelings de weg naar het nest weten te vinden. Het beeld is ontmoedigend, maar kan zich niet aan het oog ontrekken.

De kale kant van kapitalisme

De uren van onderweg zijn laten weinig welvaart zien. In de steden daarentegen heeft het uiterlijk wel een vaart genomen. Het Yin en Yang waaraan de Chinees zo is gehecht. Misschien kan de filosofie dan ook verklaren of het een het andere uitsluit, of nog minder hoop gevend: het één niet zonder het andere kan bestaan.

Robert von Hirschhorn, China, Landschap, PanoramaDaarmee zou het lot dan zijn getekend, blijft de ene geketend aan de eenvoud van dicht bij de grond, en mag de ander zich wentelen in westerse decadentie.

Dat is wat Zuidoost-Azië doet; voortdurend zichzelf bedriegen met de opgedrongen waren van een ander ras. De merknamen, die hand over hand de wereld in hun bezit hebben genomen, het volk valt ervoor in plaats van er over, alsof men kritiekloos werd geboren. Waarschijnlijk is het ondertussen zo overweldigend geworden, dat men aan haar verleiding niet meer kan ontkomen.

Het is zeer zeker niet het soort bekoring waaraan ik mij zonder te bedenken zou willen onderwerpen. Meer oorspronkelijkheid, niet dat smakeloze nadoen van dingen die aan de andere kant van de wereld als gemeengoed worden ervaren.

Gemeen goed; dat wat het is, en altijd blijven zal.

 

©Robert von Hirschhorn. Foto’s: voorkant ‘De Verleiding van het Verre Oosten’. Overige: tempel in Kunming

Avatar
Over Robert von Hirschhorn 34 Artikelen
Robert von Hirschhorn 27-04-1947 -- 07-12-2016 “Zo jongen, wat wil je later worden?” “Schrijver, mam, schrijver.” Een moeder zweeg en dacht: ‘is dit mijn kind, een beetje vreemd…’ Niets werd vreemd, Robert von Hirschhorn (1947) sinds begin 1974 bezig met schrijven in allerlei vormen doch ook de voordracht mede gevoed door een opleiding aan de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar. De speciale belangstelling voor alles wat met Openbaar Vervoer heeft te maken voornamelijk de spoorwegen, zat er al veel vroeger in. De eerste reis naar Thailand vond plaats in 1985 daarna een jaarlijks weerkeren tot aan een vervroegde pensionering in 2006, sindsdien permanent woonachtig te Chiang Mai waar dagelijks wordt geschreven en af en toe iets gepubliceerd. “Kijk, mam, het is gelukt.” Jammer, dat uitgerekend zij het niet meer lezen kan.