Carry That Weight

Hij moest er toch twee trappen voor op rennen, en dat bij ruim eenendertig graden, om mij die drie baht te geven die ik vergeten was uit het teruggeefluikje te pakken van de kaartverkoopautomaat op het BTS station aan de Ploen Chit in Bangkok. Een jongeman, goed gekleed, zou een bankmedewerker kunnen zijn of een verkoper in een kledingzaak, en even had ik de neiging hem die drie baht te laten houden, maar realiseerde mij net op tijd dat zo’n handeling erg onbeleefd zou zijn.

Waarom die moeite? Drie baht. Als tip vind ik het al beschamend en laat meestal twintig baht achter, of meer als het vrouwelijk bedienend personeel aan het schoonheidsideaal voldoet. Drie baht. En daar twee trappen voor oprennen om het de rechtmatige eigenaar in zijn handen te drukken.

Hij sprak er nog Engels bij ook en noemde mij Sir. Als er iemand tijdens deze korte ontmoeting Sir genoemd mag worden, was hij het wel, vond ik en het daarbij jammer dat hij al zo snel verdween. Had ie maar een ogenblik blijven staan. Misschien dat ik dan op het idee gekomen was hem uit te nodigen voor de lunch. Eens aan kunnen horen op mijn vraag waarom hij zoveel moeite had gedaan mij m’n drie baht terug te geven. Was hij een overtuigd Boeddhist of had hij de waarde van het geld leren kennen vanuit een armoedige situatie waarin hij was opgegroeid?

Ik had graag zijn zo te zien nog korte levensgeschiedenis aangehoord. Automatisch vergelijkingen kunnen maken met mijzelf toen ik nog maar net twintig was. Hoeveel kansen toen in de Nederlandse opkomende economie. Hoeveel kansen gewoon laten liggend, omdat de keuzes te ruim waren en het daardoor moeilijk het juiste te kiezen. Alles was verleidelijk. Hij had waarschijnlijk maar een kans gehad om een keuze te maken en deze met beide handen aan moeten grijpen. Het is er niet van gekomen hem aan te horen. Vanuit mijn ooghoek zag ik hem de klaarstaande Skytrain in springen en weg was hij. Hangend met zijn linkerhand aan een lus boven hem.

Hoeveel aardige, vriendelijke, behulpzame mensen kun je ontmoeten in een wereldstad als Bangkok. Niet een, zo is de verwachting want wereldsteden zijn overbevolkte mierennesten waarin iedereen haast schijnt te hebben, dientengevolge slechts met zichzelf bezig is, vooruit naar de plaats van bestemming en geen omstanders ziet of kent.

Zo is het in New York, Londen, Parijs . . . zelfs Amsterdam als piepkleine wereldstad doet er in mee. Hoe anders kwam Bangkok op mij over toen ik mensen op straat vroeg naar de Nederlandse ambassade. Uiteraard werd ik driemaal de verkeerde kant opgestuurd, maar dat is de Thai eigen, nee, weet niet, kunnen zij niet over hun lippen krijgen. Zij bieden hulp op een uiterst vriendelijke en behulpzame manier. Goed bedoeld, maar . .

De vierde die ik het vroeg speelde op zeker, pakte zijn mobiel, zocht naar Google maps en was daarna zeker tien minuten bezig de juiste locatie te ontdekken. Beiden stonden wij dus voor de straat waar de Nederlandse ambassade zich bevindt, te staren op dat piepkleine schermpje van zijn mobieltje. ‘It’s here,’ zei de man vol trots op zijn schermpje wijzend. ‘Duizendmaal dank, Sir,’ zei ik en liet achterwege hem dan maar uit te nodigen voor de lunch, wat hij waarschijnlijk geweigerd zou hebben, want hij had haast.

Ik had trouwens ook haast met het spookbeeld voor ogen dat ik uren en uren zou moeten wachten in de ambassade voor het aanvragen van een nieuw paspoort. Graag zou ik de aanvraag doen op dezelfde dag dat ik er speciaal voor uit Chiang Mai naar Bangkok was gevlogen. Voor alle zekerheid had ik een klein koffertje bij mij met schone onderbroek, schoon hemd, tandpasta en tandenborstel. Je altijd voorbereiden op calamiteiten, heb ik van mijn vader geleerd die nooit in de auto op reis zou gaan zonder de fles. Niet om er uit te drinken, maar juist voor het omgekeerde voor als je in een file terecht zou komen. Op de périphérique bijvoorbeeld bij Parijs.

Bleek het hele gebeuren bij de ambassade nauwelijks tien minuten in beslag te nemen, geholpen door een Thaise schoonheid die perfect Nederlands sprak. Geen uren en uren wachten, integendeel, uren en uren overhouden tot de terugvlucht naar Chiang Mai. En wat doe je met uren en uren overhouden in Bangkok? Het was warm, benauwd. Niks om bezienswaardigheden te bezoeken, en trouwens, heb ik allemaal al gezien tijdens mijn vele bezoeken aan Bangkok, waarvan een die twee maanden duurde, wonend in het Rex hotel aan de Sukhumvit. Toen ik mee uitgenomen werd door de verpleegsters van het Samitivej hospital die wilde zorgen voor mijn relax.

Zelf had ik wel goeie ideeën over relax met een ruime hotelkamer in het Rex hotel, maar het ging ze er vooral om dat ik kennis maakte met wat Bangkok zo aan cultureel erfgoed in de aanbieding heeft. Zij offerden hun spaarzame vrije tijd op. Aan mij. Een farang met een doodzieke vrouw op de intensive care. Zij werden de belangrijkste reden voor mij telkens weer terug te keren naar Bangkok. Al die keren dat ik terugkwam naar Thailand, eerst langs het Samitivej, gedag zeggen.

Nu ik weer in Bangkok was en al die uren over had, overwoog ik weer het Samitivej te bezoeken. Hoelang geleden alweer. De laatste keer dat ik dit deed is jaren terug, realiseerde ik mij met schaamte. Hun namen weet ik nog precies. Evenals hun fijn besneden gezichtjes waar ik mijn ogen niet van af kon houden. Gewend aan de wat hoekige schedels van het blanke ras.

Goddank komen er op het moment veel vluchtelingen Europa binnen uit landen die wat minder hoekige schedels in de aanbieding hebben, zodat er straks een mooie mengvorm ontstaat. Het zou haast verleidelijk worden weer terug te keren naar Nederland.

Ik deed het niet. Het Samitivej bezoeken. Te lang geleden, misschien niemand meer die mij nog zou herkennen. Misschien zou ik de weg niet meer kunnen vinden. De straat die ik dagelijks uitliep om vanuit het hotel het hospitaal te bereiken. Misschien is alles zo veranderd dat je niet zomaar door kan lopen naar de intensive care waar zij werkten.

Ik heb er ook geen patiënt meer te bezoeken. Niet een patiënt waar ik dag in dag uit naast zat, haar voorlezend uit een boek, liedjes voor haar zingend, moed inpratend met de wetenschap dat mijn stem het enige herkenbare geluid voor haar was, maar tevens met de wetenschap dat wat ik zei niet gehoord werd, laat staan begrepen. Het idee dit te herleven met een bezoek aan het Samitivej, deed mij huiveren.

Was het angstzweet of was het de drukkende hitte? Weg wilde ik. Weg uit Bangkok. Weg van de plaats waar mijn eerste kennismaking ligt met Thailand. Weg van de plaats waar ik jaren naar terug gezogen werd. Terug gezogen naar vriendelijke, hartelijke, behulpzame mensen. Weg van de plaats waar ik gewiegd werd in de armen van Siam. Weg van de plaats waar zeven eurocent nog iets vertegenwoordigt. Weg van een herinnering die nog zo levensvatbaar is, dat ik alles wat ik een plek heb gegeven vervaagt en het weer een brei wordt van keuzes en beslissingen met de rug tegen de muur.

Ik maakte mijn keuze. Ging terug naar Survanabhumi en wachtte geduldig op mijn vlucht naar Chiang Mai.

 

 

 

Bert van Balen
Over Bert van Balen 453 Artikelen
†Bert van Balen (20 juni 1945 - 26 oktober 2018) verbleef een decennium lang regelmatig in Thailand, vooral in Chiang Mai. Bert leerde als autodidact van zijn hobby fotografie zijn beroep te maken. HIj was ook chauffeur, magazijnbediende, semi beroepszeiler, redacteur en journalist voor Kidsweek en flierefluiter. De reden tot zijn regelmatig langdurig verblijf in Thailand is terug te vinden in zijn boek: Hoera, ik heb kanker. Te bestellen via Bol.com

1 Comment

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.