Cambodja: de verpletterende werkelijkheid van Stung Meanchy

 

Bert Vos, Sloppenwijk, Stung Meanch, Phnom Penh

Angstvallig klauw ik mijn vingers rond het ijzerdraad van de omheining om niet met mijn sandalen in het zwarte drabbige water te stappen. Allerlei enge ziektes, die zich volgens mij daar verschuilen, gieren door mijn hoofd. Mijn Canon-camera, die om mijn nek hangt, bungelt gevaarlijk heen en weer als ik met acrobatische toeren de modderpoel probeer te ontwijken. Toch stap ik met mijn rechtervoet in het water. Maar goed dat ze hier geen Nederlands gevloek verstaan. Op hoop van zegen dan maar, denk ik. De stank bezorgt me hoofdpijn en overal om me heen zie ik vuilnis en van afvalhout in elkaar getimmerde hutten.

 

Ik ben in Stung Meanchey, een sloppenwijk aan de rand van Phnom Penh, als onderdeel van een fototour met de Nederlandse fotograaf Michael Klinkhamer. “Dit moet je echt gezien hebben”, had hij me al verteld toen ik vanuit Nederland de afspraak maakte om een dag met hem op pad te gaan.

Bert Vos, Sloppenwijk, Stung Meanch, Phnom Penh

De bewoners van Stung Meanchey leven van het verzamelen van glas, plastic, papier, karton, blikjes en wat ze verder kunnen vinden op de gelijknamige vuilnisdump die aan de ‘wijk’ grenst. Het einde van de regentijd nadert en een paar buien hebben de ‘straatjes’ tussen de krotten als afscheid tot glibberige modderpaden gemaakt. Voor de vele halfnaakte kinderen geen probleem. Met blote voetjes in de smurrie rennen ze mee, ‘hello’ roepend. Een eindje verderop speelt een groepje in een open riool. Eruit en erin springen en veel lol hebben, zoals kinderen dat doen, verkoeling zoekend in de zinderende hitte die over de sloppenwijk neerdaalt. Families staren ons aan in huisjes die je geen huis mag noemen, met vrij spel voor wind, regen, muggen, ratten en ander ongedierte en met een voortdurende douche van onwelriekende geuren en met ziekten op de loer.

Leefomstandigheden

Wij banen ons een weg over de smurrie op zoek naar geschikte fotomomenten. Die zijn er plenty en iedereen wil graag poseren. Ondanks de ellendige leefomstandigheden komt er een glimlach op het gezicht als we mensen aanspreken. Opvallend, iedereen ziet er onberispelijk en schoon uit. Hoe doen ze dat toch is mijn eerste gedachte. Natuurlijk mag je ons fotograferen, is de boodschap als ik naar mijn camera wijs. De tuk-tuk komt ons over twee uur ophalen.

Op een afstand zie je de vuilnisstort. Waar afvaltrucks de hele dag af en aan rijden, met afval afkomstig van huishoudens, ziekenhuizen en bedrijven. De mannen, vrouwen en kinderen sorteren het vuil dat recyclebaar is. Voor een gezinsinkomen van een paar dollar per dag. Waar ze amper van kunnen leven en in een cirkel van armoede blijven hangen, naast de erbarmelijke levensomstandigheden in hutjes van een paar vierkante meter hout als vloer met erboven een platform gebouwd op palen met een dak van afval. Onderdak voor meestal kinderrijke gezinnen.

Afval ligt er open en bloot weg te rotten en hopen vuilnis wachten om gesorteerd en weggebracht te worden naar de recyclingsbedrijven. Het water dat tijdens het regenseizoen zich vanaf de vuilnisbelt een weg baant door de slump is zwaar verontreinigd door het medisch en chemisch afval dat zich tussen het huishoudelijke afval bevindt. Apart inzamelen kennen ze niet in Cambodja.

Sloppenwijk

De vuilnisplaats is zes hectare groot. Het gebied waar de vuilnissorteerders wonen is particulier eigedom en men betaalt hoge huren aan de landeigenaren. De bevolking van Stung Meanchey telt naast 2000 volwassenen ongeveer 600 kinderen. Ze kwamen naar Phnom Penh op zoek naar werk en belandden in deze sloppenwijk. Het merendeel van de kinderen heeft nooit basisonderwijs voltooid. De schoolkosten zijn te hoog en ze moeten bijdragen aan het gezinsinkomen. Maar toch, en dat is het wrange, de meeste gezinnen hebben hier meer inkomsten dan toen ze als boeren op hun land zwoegden. Maar of ze er nu op vooruit zijn gegaan?

Cambodia Children’s Fund

Een lichtpuntje is het Cambodia Children’s Fund. Een in 2003 opgerichte organisatie die families met educatie aan kinderen, medische hulp en het bouwen van huizen een uitweg wil bieden uit deze uitzichtloze situatie. Michael, die al zich vele malen in deze ‘Voorportaal van de Hel’ (ik kan het niet anders beschrijven) heeft begeven, leidt me naar een nieuwbouwproject. Keurige rijen huizen op poten met een trap, ijzeren dak en een stevige voordeur die op slot kan. Voor toilet en douche is een apart gebouw neergezet.

,,Deelnemers aan dit project moeten wel aan voorwaarden voldoen. Hun kinderen moeten naar school, ze moeten aan voorlichtingsprogramma’s meedoen en er moet huur, twintig dollar per maand, betaald worden”, vertelt de fotograaf. Het mag dan wel nieuw zijn, een deel niet ouder dan zes maanden, onder de huizen is het al weer een grote bende en van opruimen is geen sprake. Ook is er al sprake van verval te zien. Dat is iets wat ze nog moeten leren, is Michael zijn conclusie. Het weliswaar een vooruitgang. Maar de stank en troep die blijft. Het zijn de komende generaties waar de NGO zich op richt, die krijgt de kans om door middel van onderwijs en een veilig onderkomen deze plek te kunnen verlaten.

Verpletterende werkelijkheid

Eenmaal in de tuk-tuk richting verfrissende douche en koud Angkor bier dringt de verpletterende werkelijkheid tot mij door wat ik gezien heb en een gevoel van machteloosheid neemt heftig bezit van mij.

 

Foto’s ©Bert Vos, 2014

 

Bert Vos
Over Bert Vos 125 Artikelen
Bert Vos is journalist, tekstproducent, Azië-liefhebber, publicist en ZZP'er in Amersfoort.