Buigen Boog Gebogen

Paardje Veu en Ezeltje Sul graasden aan deze zijde van de diepe kloof. Hun monden graasden driftig, maar hun buikjes bleven hol. Want het had al maanden niet geregend en de grond was droog, de grassprietjes stonden wijd uit elkaar.  En warm dat het was! Veu en Sul bakten hun eieren zó op de hete stenen, zonder vuur, en hun warme vacht wilden ze wel afstropen. Aan de andere kant van de kloof was het nog heter, daar was helemaal geen groen meer, alles was geel en bruin, het leek wel een woestijn van zand en grint en rots. Wekenlang was er geen dier te zien geweest, alleen grote zwarte vogels die traag rondvlogen in wijde cirkels.

Aan de horizon zagen Veu en Sul iets bewegen. Het kwam traag door de woestijn  in hun richting aanschommelen. Dichterbij leek het een dier met een hoog pak op zijn rug. En nog dichterbij bleek het een kameel aan een touw, met een grote pop geplaatst tussen de bulten. De kameeldrijver blies drie keer op een hoorn, riep: “Buigt allen het hoofd en prostreert voor de Koningin van Hammadanië.” Zijn hoorn schalde opnieuw en toen was het stil.

Wat stond paardje Veu en ezeltje Sul te doen? Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Moesten ze het gebod van de kameeldrijver opvolgen? Veu was al eens op een voettocht geweest, helemaal naar Grazië, en had toen vreemde gewoonten van vreemde volkeren gezien. Daar had Veu van genoten én geleerd, en Veu boog gewillig het hoofd.

Sul bokte. ‘Dat doe ik niet, hoor, iedereen onder een zwart laken kan wel zeggen dat hij de koningin van Hammadanië is, ik zie alleen maar zwarte kleren van top tot teen, ik zie geeneens ogen. En me prostitueren, ik zou niet eens weten hoe dat moet. Jij wel, Veu?’

‘Gewoon buigen en onderdanig gaan liggen,’ zei Veu die graag zijn kennis en kunde deelde, ik zal het voordoen.’ En gekeerd naar de bepakte kameel vouwde Veu de voorhoeven samen, ging op de knieën zitten en boog zó diep voorover dat de vochtige paardenlippen de droge aarde konden kussen. ‘Zo, ik heb me voor de koningin geprostreerd zoals het hoort. Nu jij, ezel!’

Alex Ouddiep, Buigen, Paard

Maar Sul bleef bokken. ‘Waarom zou ik me prostitueren voor deze vreemde koningin als we onze eigen koning gewoon een hoef mogen geven?’ Daar had Veu een curieus antwoord op: ‘Ze is niet zomaar een koningin, ze is de Koningin van Hammadanië!’ Sul begreep daar niets van. ‘Er zijn toch geen koningen in soorten, gewone koningen zoals onze Malesandro die je een hoef mag geven en hoger koningen waar je voor moet prostitueren?’

Gebruikte Sul dit foute woord met opzet? Veu kreeg de buik vol van deze ezel die altijd tegendraads is en altijd dwars ligt. Sul was gewoon een stom-me boe-ren-e-zel. Maar dat hield Veu vóór zich want hij had op de grammaticaschool geleerd dat het niet netjes staat als je zoiets zegt.

Ik ben blij dat wij aan deze kant van de kloof zitten en niet in Hammadanië,’ balkte Sul, ‘ik heb geen zin me steeds te prostitueren, hihi!’ Nu was Veu er zeker van, Sul gebruikte dat woord expres. ‘Prostreren heet het, Sul, niet prostitueren.’ ‘Ach,’ zei Sul, ‘het komt toch eigenlijk op hetzelfde neer, prostitueren of prostreren, het gaat er toch om dat je onderdanig gaat liggen!’

‘Heilige hoef allemachtig,  klein pest-ezeltje dat je bent!’ riep Veu. En om het gezag van de hoge subkaste der onevenhoevigen te herstellen, deed Veu iets heel doms: opnieuw de leraar uithangen.

‘Ik zal je uitleggen, Sul, hoe het in de grote wereld toegaat, ver weg van onze eigen kloof. Als je bij de wolven bent en de wolven grimgrijnzen, dan grimgrijns je terug. Ben je in het land van de dromedarissen en de dromedarissen willen met je neuzen, dan neus je met de dromedarissen. Zo gaat het gaat het overal. Wij paarden moeten soms vreemde sprongen maken en ezeltjes helemaal. We hebben van onze vaders en moeders een sterke ruggengraat meegekregen om ons recht te houden, maar vergeet niet dat die gewerveld is, om te kunnen buigen en méé te draaien als het moet.’*

Alex Ouddiep, Buigen, Prostreren

Draaikont, dacht Sul, en fluisterde toen vals in Veus oor: ‘Toen ze zich in Grazië prostitueerden,  prostitueerde jij zeker ook mee, hè, smerig kastebeest dat je bent!’ Veu viel stil, sloeg de ogen neer en schudde slapjes van nee.

Sul balkte toen luid: ‘Hihi, Veu staat mát, hihi, Veu staat mát!’
Maar later, toen de maan boven de horizon uitkwam, huilde Sul zachtjes.
Uit onvrede met de grote wereld, om Veu, en om dromen die vervliegen…
Hihuu hihuu!

*Vergelijk de fabel van La Fontaine, Le chêne et le roseau.

 

 

 

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*