Birmese passages (7). Zijn of niet zijn


Antonin Cee, Birmese Passages 7, Zijn of niet zijn

Zijn met anderen, is dat niet waar alles om draait? Zonder enig vooropgezet doel door de stad slenterend, klom het allemaal op me. Met Calla afgereisd en Sam opgepakt, was alle euforie die Rangoon me die eerste dagen gegeven had ogenblikkelijk verdwenen. Er kwam onweer opzetten, mijn binnenste trok dicht. Rangoon had me voorgesteld aan twee fantastische mensen en nu ze er ineens niet meer waren, kreeg ik een aanval van somberte. De wereld zag er plots een stuk valer uit. Net zoals aan het eind van het feestje en iedereen vertrokken is, de grote lichten weer aangaan en alle gemaakte rotzooi zichtbaar wordt. Ik heb er geen ander remedie tegen dan in contemplatie te gaan. Mijn metafysische ster te laten schijnen zoals ik het voor mezelf noem. Het is mijn natuurlijke afweer tegen deze aandoening. Tot nu toe heeft het me altijd geholpen deze momenten door te komen.

Denkend aan wat Calla me allemaal gezegd over de zinloosheid tijdens die eerste avond in de Donjon, bracht het me bij Shakespeare. Zijn of niet zijn? Prins Hamlet doet er zijn zegje over. Kijkend naar de ferrybootjes, die volgepakt met mensen de rivier overstaken, dacht ik dat het eigenlijk onmogelijk is er een antwoord op te bedenken. Niet omdat die vraag zo ingewikkeld is, maar simpelweg omdat het geen echte vraag is. Met het stellen ervan is het antwoord immers al gegeven. Want Hamlet is… Alles wat hij daarna nog gaat zeggen over de ‘sleep of death’ laat alleen maar zien dat hij al gekozen heeft. Praten is ook een manier van zijn. Hij is, hoe dan ook… Is dat niet wonderlijk? Je kunt je maar ergens over verbazen…

Antonin Cee, Birmese Passages 7, Camus
Camus: er is maar één filosofisch probleem…

Bij Albert Camus was ik zoiets ook al eens tegengekomen. ‘Er is maar één ernstig filosofisch probleem, schrijft deze man uit Belcourt: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie. Maar ook hier ligt het antwoord al besloten in het stellen van de vraag. Camus vindt het ‘de moeite waard’ om over de kwestie na te denken en bevestigt daarmee zijn bestaan. Je zou haast willen zeggen: och, als het alleen maar een filosofisch probleem is… Laat de drums dan maar vibréren en ons een dansje doen.

Waar dit zoal op neerkomt? We kunnen simpelweg niet buiten onszelf kijken. Of liever, we kunnen niet net doen of we er niet zijn en in de zogenaamde objectiviteit gaan wroeten zonder er zelf bij te zijn. Sinds de kwantummechanica weet de fysica het ook. Ze kreeg het door de filosofie aangereikt: zonder waarnemer is er geen fysieke werkelijkheid. En andersom gaat het ook op natuurlijk. We danken het inzicht aan een Duitse filosoof. Hoezeer we ook ons best doen, het jenseits, wat dat verder ook zijn mag (God, de dood, het hiernamaals, een ontologie zonder ons, de dingen aan zich, de leegte…) is altijd de grote afwezige. Het lijkt misschien vreemd, maar het waren gedachten, die me opbeurden.

We kunnen er maar beter recht voor uitkomen. Over het Zijn viel eigenlijk niets te zeggen, hoe graag we dat soms ook doen. Het is het meest mysterieuze woord in onze spraak. Zijn is het enige, geheimzinnige werkwoord dat zichzelf nodig heeft om gedefinieerd te worden. Zijn is…dit of dat en zus en zo. Pure tautologie is het. Een verbaal absurditeitje. De grote metafysische vraag: waarom er iets is en niet veeleer niets? Dat was ook weer zo’n onbeantwoordbare pseudo vraag, die we als zijnde wezens stellen. Het niets is altijd iets, al is het in sommige gevallen alleen maar een gedachte in het hoofd van een nadenkend mens. Dat is de enige plek, waar dat zogenaamde niets te vinden is. Het zit, zoals ook Sam ook had opgemerkt, allemaal in die kokosnoot, die we op onze schouders dragen.

Starend over de rivier vanaf het bankje, waar ik ook met Calla gezeten had toen we enkele dagen terug dat boottochtje naar Syriam maakten, bracht het me bij de leegte, waar ze zo mee worstelde. Als gewelddadigheid een menselijke eigenschap is waar de natuur ons mee heeft opgezadeld dan is er niets meer, had ze me gezegd. Ze kon er moedeloos alleen van worden.

Antonin Cee, Birmese Passages 7, Zijn of niet zijn
(foto gezien op tripadvisor)

Ergens op de rivier stootte de scheepshoorn van een vrachtschip enkele prehistorische kreten uit en mijn gedachten dwaalden naar de vehemente discussie, die intellectueel Europa in de 17de eeuw gevoerd had. Grote jongens, zoals Pascal en Gassendi bemoeiden zich er ook mee. Was er zoiets als leegte, was de vraag die de gemoederen toen danig in beroering bracht. Echt nieuw was het niet, want ook de oude Grieken hadden er zich al mee beziggehouden. En in het middeleeuwse Europa van de scholastiek kreeg de vraag natuurlijk theologische allure.

zijn
de grote discussie over de leegte…

Er waren allerlei gewiekste antwoorden op gegeven, maar die doen er nu niet meer zo toe. Wat wel belangrijk is – het komt uiteindelijk altijd op hetzelfde neer-, is dat de leegte niet langer leeg is op het moment dat ik haar poneer. Ik vul haar met mijn gedachten. Het wordt tot een iets. Ha, zegt slimme Piet die tijdens dit soort beschouwingen altijd plotseling komt opdagen, je hebt het over dingen, die alleen in de geest bestaan. Maar die zijn toch allesbehalve fysiek?

Zeker, zeker, maar als het waar is dat de geest een lichaam nodig heeft om te zijn, is het evenzeer waar dat het lichaam het zonder die geest ook niet kan stellen. Ook gedachten hebben iets materieels. Ze vliegen net als voorwerpen door de ruimte. Een man als Yoel Noah Harari heeft er trouwens de mond van vol dat we nu bezig zijn de geest te gaan hacken. Met computers natuurlijk. En dat kan alleen maar als die gevoed worden met…gedachtedeeltjes, die zeker niet geheimzinniger zijn dan de honderden deeltjes uit de fysica.

Ik zweefde helemaal weg in mijn eigen gedachten. Natuurlijk hadden de deelnemers aan die discussie over de leegte destijds alleen maar de fysieke ruimte op het oog. Zeker nadat Descartes geest en materie volkomen van elkaar gescheiden had. Kon die fysieke ruimte echt helemaal leegt zijn? De moderne fysica is er wat dubieus over.

Ze maakt een ambigu gebruik van het begrip lege ruimte, waarin alle materiële gebeurtenissen plaatsvinden. Te vergelijken met Genesis: Gods geest zweefde over de wateren en stopte er in zes dagen de dingen in en toen nam hij rust. Tegelijkertijd is die ruimte ook gevuld, met zwaartekrachtgolven of gravitonen, (je mag zelf kiezen) met lichtgolven of fotonen (ook hier een democratische eigen keus) met magnetische velden en meer van dat spul. Met andere woorden, de fysieke ruimte wordt zelf een gebeurtenis. Kon die dan leeg zijn? Hoe zou aan de leegte in hemelsnaam iets kunnen overkomen…

zijn
Mysterieuze deeltjes (foto gezien bij stephenhall.otg.uk)

Hoe je het ook wendt of keert, dacht ik, we zij geworpen in de volheid. We zijn ertoe veroordeeld. En die volheid laat verder geen verdelingen of tegenstellingen toe. Ze is uit één stuk gehouwen. De leegte doet niet mee. We zijn en daarmee alles met ons.

Basta…Zwijg dus verder prins Hamlet en laat het Zijn verder maar met rust. Ik voelde mijn somberte langzaam wegebben. De metafysische ster begon te werken…

Want in die volheid zijn we nooit alleen, maar altijd met anderen. In liefde, of in haat misschien, en alles wat daartussen kan liggen. Als sociale wezens, zijn we aan elkaar vastgeklonken als een Siamese tweeling. We bestaan alleen maar door, voor en met anderen. Geen mens is ooit alleen; dat was fysiek onmogelijk net als zoals water niet kan branden.

Zelfs de meest teruggetrokken heremiet op zoek naar bevrijding draagt de anderen in zijn hoofd, bedacht ik tijdens die overpeinzingen. Neem Boeddha maar. In eerste instantie trok hij zich terug, vastte en mediteerde. Maar toen hij onder die woudreus in India de verlichting kreeg, moest hij het uitdragen. Verlichting die niet met anderen gedeeld wordt, was geen verlichting. Dat is het pas als hij kenbaar wordt gemaakt. De overlevering kon dan weliswaar vertellen, dat hij op een zeker moment besloot te gaan prediken, omdat hij dit geschenk niet voor zichzelf had willen houden. Maar ik was er van overtuigd, dat hij het zich van meet af aan had voorgenomen. Geen enkele overtuiging, geen enkel idee kan bestaan zonder de wens het over te brengen.

Calla had volkomen gelijk. Als geweld het enige bindweefsel van de menselijke geschiedenis is met al het nutteloze lijden dat erbij hoort, als we er altijd alleen maar op uit zijn de ander te vermorzelen, dan is is alles zinloos. Dan kun je er beter meteen een einde aan maken, want in die eenzaamheid is niet te leven. Maar de anderen zijn er altijd om betekenis aan ons eigen bestaan te geven. Er zijn altijd de momenten van liefde, van saamhorigheid, van solidariteit. Zelfs wanneer we het niet met elkaar eens zijn, in geruzie en conflicten, is daar de oppositie, de lastige tegenstander, de vijand zelfs, waar me ons tegen afzetten om zin te verschaffen aan het leven. Geen mens gaat ruzie zitten maken met een rotsblok of een bergpad verwijten dat het zo hobbelig is. Waar dit allemaal op neerkwam? Het zijn is een collectieve creatie. We weten ons met anderen dus we zijn…En met de juiste mensen kan dat heel plezierig zijn.

Antonin Cee, Birmese Passages 7, Zijn of niet zijn
nooit zonder anderen… (foto India TV news)

Hoe graag had ik dit aan Calla willen zeggen. Misschien zou zij er iets aan gehad hebben. En ik wachtte, ongedurig, op het moment dat ik haar weer zou zien op de luchthaven om samen naar Bangkok te vliegen. Ik voelde haar in elke vezel van mijn lichaam, want het pad dat zij in haar hoofd bewandelde was ik zelf ook afgelopen. Het is als dansen op een slap gespannen touw met aan de ene kant de afgrond van het absurde en aan de andere kant de peilloze diepte van het een of ander godsbesef. Of dat nu de christelijke God is, een of andere komende heilstaat zoals bij de marxisten of het opgaan in de Wereldgeest van Hegel, wat allemaal tot geweld had geleid.

Calla, ik wist het, balanceerde ook op dat touw en het is er gevaarlijk. Je valt er gemakkelijk van af. Het enige dat je er hebt om je evenwicht bewaren, is het geloof in de ander, je medemens, uiteindelijk de mensheid. Mijn metafysische ster had me er bijgelicht. En dat wilde ik met haar delen, met haar, mijn zielspartner, mijn vrouw voor altijd. Misschien kon het haar helpen.

Tijdens die laatste, in zichzelf gekeerde dagen in Rangoon, liep ik ook voortdurend aan Sam te denken. ’s Ochtends aan het ontbijt met curry en nan bij  het straatstalletje hoopte ik, misschien tegen beter weten in, dat ik hem er zou treffen. Steeds opnieuw vroeg ik me af, waarom hij was opgepakt. Had die taxichauffeur toch iets gehoord van ons bezoek aan Mengre, was dat een regeringsspion, die het had doorgebriefd? Ik overwoog zelfs navraag te doen bij de receptie van de Donjon. Maar bij nader inzien zag ik daar maar af. Het neefje van die generaal, die de dochter van Mengre had opgeëist in ruil voor zijn leven, kon ik er maar beter buiten laten.

Ook Sam beschouwde ik als een zielsverwant. Ik bewonderde de dapperheid, waarmee hij elke generatie opnieuw wilde laten beginnen en alle geweld uit het verleden achter zich wenste te laten. En wat hield ik van zijn inzichten. Ik zag die brede lach weer op zijn mond kruipen, toen we dat gesprek hadden over boeddhisme en animisme. ‘Het oosten heeft zich nooit gegeven aan het óf dit, óf dat. ‘Het is niet zoals bij jullie, die logica tot God verklaard hebben. Het principe van het uitgesloten derde, weet je wel?’

Ook hij had het bij het rechte eind. Het westen heeft slechts twee begrippen weten te bedenken, waarmee het de wereld te lijf gaat. Zijn of niet zijn. Het oosten is ietsjes geraffineerder. Het heeft er drie. Het kent het zijn, het niet zijn, maar ook het niet-niet zijn. Dat laatste is dan bijvoorbeeld het nirwana zoals dat Boeddha voor ogen stond. Dat is noch het zijn in de flux van de wereld, het samsara zoals het daar heet, noch het niets van de leegte, maar het onbeschrijfelijke niet-niet zijn. Voor boeddhisten is dat nog iets anders dan het niets of de leegte. Het is niet nothing. Wat dat dan wel is? In zijn gebed heeft de Hindoe het altijd geweten. ‘Heer, Heer, bij gebrek aan een betere naam, noem ik U maar zo, hoewel ik weet dat alle namen te kort schieten’. De Hindoe accepteert: het mysterie van het bestaan is niet in begrippen vast te pakken.

Antonin Cee, Birmese Passages 7, Huis U-Thant
Het huis van U-Thant (foto gezien op tripadvisor)

Om mijn dagen te vullen, maakte ik lange wandelingen. Ik bezocht het huis van U-Thant, de voormalige secretaris-generaal van de VN. Sam had me erover verteld en me erheen willen brengen, ofschoon het toen nog geen museum was. Het stond er in die dagen volkomen verwaarloosd en verweesd bij. Het is nu gerenoveerd en gepromoveerd tot een toeristische attractie.

Op een andere ochtend dompelde ik me onder in het gekonkel van de nat bij de Sule Pagode, denkend aan wat Sam daarover gezegd had. En om dichter bij Calla te komen, ging ik op een avond nog een keer eten in de Strand, zoals ik dat met haar had gedaan. Maar de curries leken me veel minder lekker en het Mandalay bier smaakte me ook niet zo.

Sinds die ene keer dat we telepathisch contact hadden gehad, was Calla stilgevallen. Wat niets meer of minder kon betekenen, dat haar gedachten niet bij mij waren. Ik kon de mijne natuurlijk naar haar sturen, maar het werkt alleen maar als de ander er ontvankelijk voor is en je ze zelf intensief genoeg overstuurt. Er kwam niets op terug. Terwijl ik het probeerde zag ik alleen maar die bloemenmond van haar voor me en daar had zij waarschijnlijk geen boodschap aan.

De laatste ochtend sloeg ik het ontbijt over en bleef lang op bed liggen. Ik probeerde nog wat door te slapen om niet aldoor de uren vol trage minuten te tellen, die me nog scheiden van het rendez-vous met Calla. Echt lukken wilde het niet, want ik was opgewonden als een trouwe huishond, die na dagenlange afwezigheid in de verte zijn baas ontwaart.

Net voor check-out tijd, pak ik mijn boeltje bij elkaar, twee spijkerbroeken, vier T-shirts, mijn aantekeningen rond het artikel voor de Nation, en het bronzen beeldje van de Boddhisattva, dat ik samen met Calla gekocht had.

Met nog zeker vier uur voor me, neem ik niet meteen een taxi naar de luchthaven. Geëxciteerd als ik ben, blijf ik liever in beweging in plaats van daar te gaan zitten wachten. Ik besluit nog een keer naar te rivier te lopen, opnieuw naar dat plekje waar ik met Calla gezeten had, want alles wat in mijn hoofd opkomt, voert nu naar haar. Ik laat me neer op ons bankje en tuur over de rivier. Ik wilde nog een keer op een plaats zijn die ik met haar had gedeeld, waar we in zeldzame intimiteit met elkaar hadden zitten praten. Inmiddels moest ze nu al uren met de trein onderweg zijn.

De zon lag languit op het water en zette er een okerkleurige gloed op. Maar aan de overkant waren zwarte regenwolken naar elkaar toe aan het kruipen en begonnen met het licht te spelen. Er stopte een taxi, die gezien had dat ik mijn reistas bij me had. Een raampje ging open. Of ik naar de luchthaven moest. Het was dezelfde oude Austin, die Sam en mij naar het huis van Mengre had gebracht. Ik nam de chauffeur eens beter op. Hij moest van Indiase afkomst zijn. Was hij de man die Sam had aangebracht? In zijn grote ronde ogen zag ik alleen maar de wens dat ik snel zou instappen, zodat hij weer een klant zou hebben. Na een laatste blik op de rivier gooide ik mijn tas op de achterbank en nam niet de moeite om over de prijs te onderhandelen.

Antonin Cee, Birmese Passages 7, Airport Yangoon,
Tot ook de vertrekhal uit het gezicht verdween…

Nog twee uur te gaan voor vertrek. Ik zocht een stoel tegenover de ingang van de vertrekhal. En wachtte, vol verlangen wachtte ik op die vrouw met haar bloemenmond en haar blonde haren in vlechten, die me bij haar eerste verschijning knock-out had geslagen, me de adem had benomen. Bij elke taxi die stopte, dacht ik, hoopte ik, dat zij het zou zijn. Het werd donker en de hemel schoof dicht en de moessonregens braken los. Om de paar seconden dwaalden mijn ogen naar buiten om in de regen te turen. Een keer meende ik iemand te zien in een paarse bloes en zilverkleurige broek, maar dat kan ook inbeelding geweest zijn. Het werd tijd om naar de gate te gaan en Calla was er nog altijd niet. Ik bleef wachten. Mijn naam werd omgeroepen. Attention please, last call for flight …

Ik liet het een, twee keer voorbijgaan. Pas bij de derde call pakte ik mijn tas en liep met loden schoenen richting gate. Stoel 52A aan het raam. Het verwondert me dat ik dat nog steeds weet. Vreemd hoe sommige dingen je bij blijven. Met mijn neus tegen het raampje gedrukt, keek ik naar buiten of er nog een busje aankwam dat ging stoppen voor de vliegtuigtrap. Zolang die er nog stond en de deuren nog open waren, bleef ik hopen. En toen was ook dat over. Maar terwijl het vliegtuig al in beweging kwam, bleef ik naar buiten kijken of ik niet ergens een glimp van Calla zag, totdat de vertrekhal uit het gezichtsveld verdween. De motoren begonnen te gieren, de riemen moesten aan. Met een dood hart vloog ik terug naar Bangkok. (Wordt vervolgd)

Birmese passaqges op Trefpunt Azië: de serie

Antonin Cee
Over Antonin Cee 178 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*