Birmese Passages (5) Een Mon in gevangenschap


mon
Cham Thewi, legendarische Mon koningin in Thailand. (bron Lamphun go)

Ze stichtten koninkrijkjes en keizerrijken, die weer uiteenvielen lang voordat de Khmer en de Thai dat deden. Ooit waren de Mon een van de belangrijkste beschavende factoren geweest in Zuidoost-Azië. In Thailand waren ze zowat opgegaan in de Thaise bevolking. In Birma, waar ze nog met enkele miljoenen waren, wilden ze hun eigen autonome staat, wat tot wapengekletter had geleid dat tot op de dag van vandaag niet is verstomd.

In het wonderland van de droomslaap lig ik nog te herstellen van alle emotionele opwinding die Calla bij me teweeggebracht heeft. Er is geklop op de deur dat ik, creatief als je onder die omstandigheden bent, in eerste instantie verwerk in een ophanden zijnde nooit meer na te vertellen droom. Het enige dat ik er nog van weet is dat zij er een hoofdrol in speelde. Pas langzaam dringt het tot me door dat ik de receptionist van de Donjon gevraagd heb me te wekken om op tijd klaar te staan voor mijn afspraak met Sam om die voormalige leider van de Mon te ontmoeten.

Mandiën in de gemeenschappelijke doucheruimte, scheren voor een vertekenende spiegel die me een clowneske kop geeft, tanden afschrobben en de trapladder van de Donjon af naar de nieuwe dag, die de wereld heeft klaargezet. Beneden staat Sam al op me te wachten. Bij hetzelfde straatstalletje, waar ik enkele dagen geleden met Calla had gezeten, ontbijten we met nan en een pittige lamscurry en drinken er een pot groene thee bij. Boven de stad hangen nog niet meer dan wat vlagen ochtendrood en het is tonisch fris.

mon
Boven de stad hingen wat vlagen ochtendrood

Het is beter een taxi te nemen, stelt Sam voor, want voor een trishaw is het wat ver. Op de hoek van de straat vinden we een oude Austin, die ons na de rituele negoties over de prijs naar het door Sam opgegeven adres wil brengen.

Met een ratel in de motorlagers en een kapotte uitlaat gaan we op weg. We kwamen voorbij de Strand en reden verder noordwaarts langs de rivier. Vanuit de verte zag ik de Shwedagon liggen blinken in het juveniele ochtendlicht.

Ondertussen vertelt Sam met gedempte stem. Kennelijk wilde hij niet dat de chauffeur ons zou horen, wat met die lekke uitlaat toch al niet erg waarschijnlijk was. De man die we gingen bezoeken was een van de politieke kopstukken geweest, die na de onafhankelijkheid gepleit had voor een autonome Mon-staat binnen het raamwerk van een Birmese federatie.

Mengre Dhamina, zoals hij heette, kwam oorspronkelijk uit de delta dat de Mon als hun thuisland beschouwen. Hij had gediend in het Britse koloniale leger, zoals zo vaak het geval was bij minderheidsgroepen. De Britten hadden dezelfde verdeel-en-heers politiek als de Hollanders in Nederlands-Indië. Ze rekruteerden hun soldaten uit minderheden, die toch al niet op goede voet stonden met de Birmanen.

‘Bij jullie waren dat de Molukkers, geloof ik,’ groef Sam op uit zijn geschiedenisonderwijs en ik stond verbaasd over zijn feitenkennis. Toen was de onafhankelijkheid gekomen en daarmee de grootscheepse zuiveringen onder de federalisten. Maar Mengre had het weten te overleven. Hij leefde nu teruggetrokken met een van zijn dochters in een klein huisje aan de rivier, dat hij hoegenaamd nooit verliet.

Sam liet zijn stem nog meer dalen en deelde het me op vlakke toon mee, zoals iemand en passant een opmerking over het weer kan maken. ‘Officieel moet er eigenlijk toestemming gevraagd worden als je hem wilt bezoeken. En daar kom jij waarschijnlijk niet voor in aanmerking. Want in feite houden ze mijn oom in huisarrest al nemen ze het met de bewaking niet meer zo nauw. Voor het regiem vormt hij niet langer een bedreiging. Maar het duurt nu al dertig jaar’.

‘Zit hij in huisarrest?’ riep ik uit. ‘Je oom nota bene? Je bent zelf dus ook Mon…’ Meteen mijn fout inziende dempte ik ook mijn stem. ‘Dat had je me ook wel meteen kunnen zeggen’, bromde ik hem toe vanuit een mondhoek. Sam haalde zijn schouders op, ‘Ik vond het van ondergeschikt belang voor het artikel dat je wilt schrijven’. Op zijn lippen lag weer die brede glimlach die hem zo innemend maakte.

mon
Yangon rivier (foto Marciej Dakowicz)

Het huisje waar Mengre woonde lag aan het einde van een zandpad dat doodliep op de rivier. Het bestond uit niet meer dan wat bamboe matten om een houten frame met een dak van golfplaten. Als badkamer was er de rivier, die hier een stuk minder breed was. Als Mengre al verbaasd was over het bezoek dat pardoes voor zijn deur stond, liet hij daar niets van merken. Hij ontving ons hartelijk en nadat Sam het doel van ons bezoek had uitgelegd, zei hij blij te zijn weer eens een buitenlander te ontmoeten. We zetten ons neer aan de kleibruine rivier in een kleine overdekte aanlegsteiger voor de voorbijtrekkende rivierbootjes, die staande werden voortgeboomd.

Even later kregen we een glas water voorgezet door een slanke, gracieuze vrouw van middelbare leeftijd met een fijngetekend gezicht, waarop de schoonheid zich met de jaren verder verdiept had. Haar wangen waren opgemaakt in een gouden bladpatroon van fijne lijntjes met kleurstof gewonnen uit de Thanaka boom, zoals onder Mon vrouwen gebruikelijk is. ‘Mijn dochter’, gebaarde Mengre. Ze ging naast hem op de grond zitten en heeft al die uren dat ik er was geen woord gesproken.

Mengre zelf hield er verbaal goed de pas in. Waarschijnlijk had Sam hem gevraagd zijn levensverhaal te vertellen, zodat ik dat kon gebruiken in het artikel voor The Nation. En kennelijk wilde hij het zelf ook wel kwijt. Zijn Engels was perfect, want net als Sam had hij onderricht gehad volgens het Britse schoolsysteem. Voor de Tweede Wereldoorlog had hij zelfs enkele jaren in Londen gewoond. Op voorspraak van een Engelse geestelijke had hij als werkend passagier de overtocht kunnen maken. In Londen vond hij met een aanbevelingsbrief van deze zelfde geestelijke een baantje in de keuken van een jeugdherberg van de International Friendship League.

mon
Traditionele make-up

Die werd toen gerund door een wat vreemde Pakistani waar hij nooit hoogte van had kunnen krijgen. De IFL was opgezet om internationale vrede te promoten maar deze Pakistani in kwestie deed daar maar weinig aan, reminisceerde Mengre erop los, die ondanks zijn 84 jaar in zijn hoofd nog altijd zo scherp als een Zwitsers zakmes was. De man leek zich meer te bekommeren om de rozenstruikjes in zijn tuin waar hij dagelijks uren mee doorbracht en zijn gebeden tot Allah zegde.

Hoewel hij er de winter met moeite doorkwam, lagen in Londen de beste en in geestelijk opzicht, rijkste jaren van zijn leven. Hij had er zijn blik kunnen verruimen. Gewend als hij was de koloniale meesters in Birma altijd in een hogere posities te zien zonder ooit manueel werk te doen, was het een schok geweest ze in hun eigen land te zien werken als stratenmakers en ordinaire bouwvakkers. Toen hij het zei, kroop er een mager glimlachje op zijn dunne lippen en vanuit mijn ooghoek zag ik Sam begrijpend zitten knikken.

In de avonduren studeerde hij Engelse literatuur aan een van de universiteiten, want hij had net als zijn neef Sam nu, schrijver willen worden. Hij las de klassieken, woonde lezingen bij en was al begonnen aan enkele korte verhalen. Ik gluurde even naar Sam, die alleen maar een scheve schouder zette met een verontschuldigend lachje in zijn mondhoek. Het zit in de familie, leek hij te willen zeggen.

Ik vertelde over ons bezoek aan het huis van Orwell van een paar dagen terug. Het toeval wilde dat Mengre hem in Londense dagen wel eens ontmoet had. Dat was nadat deze vredelievende man een voordracht had gehouden in de jeugdherberg van de IFL. Toen Orwell hoorde dat hij Mon was, had hij even met hem willen praten. Hij bleek eveneens voorstander te zijn van een autonome staat voor de Mon. Een geweldige man, vond Mengre.

Ik moest natuurlijk meteen aan Calla denken, die het vast fijn gevonden zou hebben als ze bij dit gesprek was geweest. Misschien zou het haar geholpen hebben de muizenissen in haar hoofd in toom te houden. Maar als ik eraan dacht dat ik over enkele dagen die hese stem uit haar bloemenmond weer zou horen, maakte mijn hart een luchtsprong.

mon
George Orwell

Eenmaal terug in Birma was zijn belangstelling voor literatuur beetje bij beetje weggevloeid, vervolgde Mengre met een gebaar over de voorbijglijdende rivier. Hij was getrouwd, had dienst genomen in het Britse leger en had weten op te klimmen tot sergeant, de hoogste rang die voor hem bereikbaar was. Zijn vrouw overleed enkele jaren later aan malaria en hij bleef alleen achter met het dochtertje dat zij hem geschonken had.

Gevoed door ideeën van vrijheid opgedaan in zijn Londense dagen had hij zich aangesloten bij een politieke partij, die zelfbestuur eiste voor de Mon. ‘Er waren zelfs lieden bij, die het oude Mon koninkrijk van eeuwen terug wilden herstellen’, vertelde Mengre met weer dat ironische lachje op zijn lippen. Maar na de onafhankelijkheid hadden de Birmese generaals daar niets van willen weten en waren binnengevallen in de Mon staat. Inmiddels hadden ook de Mon hun eigen militie, opgezet door mensen zoals hij, die in het Britse leger hadden gediend. Ze hadden het grootste deel van hun thuisland nog altijd in eigen handen.

Er werden onderhandelingen gevoerd en met valse beloften in het vooruitzicht werden ze naar Rangoon gelokt. Met vijf man waren ze vertrokken. Maar eenmaal buiten hun eigen zone, werden ze meteen gevangengenomen en op transport naar Rangoon gesteld. Met geweerlopen waren ze een trapladder opgestoten in een pakhuis dat van een Mon rijsthandelaar was geweest. Het was door het leger in beslag genomen. De voormalige eigenaar ervan, die voorzitter was van hun politieke partij was er zelf ook bij en zat nu in zijn eigen pakhuis opgesloten. Mengre kende de man goed, want het was een ver familielid van hem.

Hij pauzeerde even voor een slokje water maar ik zag hoe zijn kaken zich verharden. Van een bewaker die hen eten bracht, kregen ze te horen dat ze gefusilleerd zouden worden. Niet allemaal tegelijk, maar elke ochtend een willekeurig gekozen man. Om ze zoveel mogelijk te kwellen, moesten ze er allemaal voor aantreden in de tuin die rond het pakhuis lag. Een man werd uit hun groep gehaald, geblinddoekt en vastgebonden aan een grote boom die midden in de tuin stond.

De Donjon, schoot er ineens door me heen. Hij moet het over de Donjon hebben, want veel van dit soort huizen konden er niet zijn. Daar heeft hij vastgezeten, misschien wel in dezelfde kamer waar ik met Calla de grootste liefdesroes in mijn leven gevierd heb. Ik keek naar Sam, die de vraag zag die op mijn lippen lag en hij gaf me een haast onmerkbaar knikje.

‘Het waren volkomen vormeloze dagen’, vervolgde Mengre, ‘en we waren dag en nacht nat van het zweet’. Opnieuw gleed dat dunne lachje over zijn lippen, dat hij waarschijnlijk gebruikte om de pijn van die herinneringen wat af te vlakken. Nog maar met twee man over, waren ze hem in de namiddag komen halen. Hij werd de trapladder afgesleept naar een generaal, die beneden stond te wachten. Mengre kende de man. Hij had hem verschillende malen ontmoet tijdens politieke vergaderingen tussen Birmanen en vertegenwoordigers van de etnische groepen in de aanloop naar de soevereiniteitsoverdracht. Die generaal had een oogje op zijn dochter, die toen 17 was en wilde haar als bijvrouw. Tot dan toe had hij hem altijd af weten te houden.

‘Jouw leven in ruil voor je dochter’, had de man kortweg gezegd. Mengre had ter plaatse de beslissing moeten nemen en er vijf minuten voor gekregen. ‘Voordat die om waren had ik erin toegestemd’, voegde hij er zachtjes aan toe en even dacht ik een kleine snik in zijn stem te horen. Plotseling viel hij stil en staarde enige tijd zwijgend over de rivier. Ik keek naar de vrouw, die roerloos op de grond zat, gehuld in een stilzwijgen dat pijn deed aan mijn oren.

Toen hij zichzelf weer onder controle had, keek Mengre me recht in de ogen. ‘Je vindt die beslissing misschien niet manhaftig’, zei hij weer een van zijn magere lachjes producerend. ‘Maar ik heb er geen spijt van. Als ik het niet gedaan had, zou zij het me nooit vergeven hebben.’ Zijn blik gleed naar zijn dochter alsof hij haar om bevestiging vroeg. En die kreeg hij, want plots draaide ze haar hoofd naar hem toe met op haar nog altijd onaards knappe gezicht een serene glimlach en in haar ogen een diepe genegenheid voor haar vader. Daarna was hij onder huisarrest geplaatst in dit huisje hier, waar hij met de jaren de ouderdom op zich af had zien komen. Maar als hij kon, zou hij nog steeds de wapens opnemen om hun land te bevrijden…

‘Zo, jij maakt dus reclame voor een guest house, waarin je oom de moeilijkste momenten van zijn leven heeft doorgemaakt’, zei ik tegen Sam toen we terugreden.

‘Dat bovendien ook nog eens gerund wordt door een achterneefje van die generaal waar Mengre het over had’, vulde Sam aan zonder een spier te vertrekken. ‘Je hebt hem gezien aan de receptie. Tussen haakjes, wat dat heeft hij er niet bij verteld, die generaal heeft maar weinig plezier beleefd aan die ruil. Want nauwelijks twee weken daarna werd hij door een sluipschutter doodgeschoten.’

mon
Mon vrouwen zeer gewild…

Hij keek me een ogenblik peinzend aan voordat hij eraan toevoegde: ‘Als we vooruit willen in het leven, moeten we proberen al het geweld uit het verleden te vergeten, hoe moeilijk dat ook kan zijn, anders raken we nergens. Elke generatie moet dapper genoeg zijn om opnieuw te durven beginnen’. Ik vond het een optimistische gedachte, die me meteen bij Calla bracht. Hoe zou het haar vergaan? Zou zij er ook in slagen te vergeten en haar bedrukte stemmingen onder controle kunnen houden? Hoe graag had ik een beschermende arm om haar heengeslagen en al die nare herinneringen uit haar hoofd willen drijven, zodat ook zij een nieuwe start kon maken.

‘Trouwens’, kwam Sam weer met zijn stralende glimlach, ‘Mon vrouwen zijn in deze contreien heel populair’. Koningen hadden hun courtisanes vaak bij Mon vrouwen gezocht en dat niet alleen in Birma. Wist ik bijvoorbeeld, dat er in het Thaise koningshuis heel veel Mon bloed zit? Na de dochter van Mengre gezien te hebben kon ik het me allemaal indenken. Tegelijkertijd proefde ik een ondertoon van trots in zijn woorden en vroeg hem of hij niet bang was dat de Mon cultuur, nu ze geen eigen staat meer hadden, aan het verdwijnen was.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Alles zal eens verdwijnen’, zei hij resoluut. ‘Waar zijn de Franken, de Saksen en de Visigoten bij jullie gebleven? We leven in een tijd van vermenging. Laten we proberen de beste elementen uit al die verschillende culturen te bewaren. Dat is het enige wat we doen kunnen. En blijven hopen dat alles beter wordt. Want zonder hoop kan geen mens gelukkig zijn. Ik vond het een bemoedigende uitspraak en wenste dat Calla het gehoord had.

Als ik wilde, ging Sam verder, kon hij me morgen meenemen naar Thado. Misschien kon ik daar ook iets mee voor mijn verhaal.
‘Wie is Thado’, vroeg ik.
‘Het is ook een Mon die leeft met de doden. En hij heeft het teken.’
‘En wat is dat teken als ik vragen mag?’
‘Je zult het morgen zien’, zei Sam met een geheimzinnig lachje. (wordt vervolgd)

Eerder op Trefpunt: Birmese passages 1 t/m 4

 


Antonin Cee
Over Antonin Cee 177 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*