Birmese passages (10) Kruispunten

kruispunten
onherroepelijke afslagen…

Elk leven kent zijn kruispunten met onherroepelijke afslagen, waar niet meer op terug is te komen. De ingeslagen weg bepaalt hoe het verder zal lopen. Karmische keuze is het. Elk gekozen pad heeft zijn gevolgen. Voor altijd. Nooit meer zijn ze ongedaan te maken. Veertig jaar geleden, toen het ‘love is all there is’ uit het tijdperk van de bloemenkinderen zich in het westen allang had uitgehard in allengs toenemende zwaarmoedigheid, was ik was naar Bangkok vertrokken.

Tenminste, zo leg ik het nu voor mezelf het liefst uit. Meer bedoelingen dan er eens wat rond te kijken en me onder te dompelen in vreemdheid, had ik niet. En vreemd was het; het was anders dan alles wat ik tot nu dan toe gekend had. Je kon het nog exotisch noemen. De melodie van ‘zeden en gewoonten’ werd er met andere noten ingezongen. Een incantatie, die mijn westers gehoor in eerste instantie geweld aan deed. Later had ik er niet zo’n last meer van. Alles went…

Maar ik heb nog een aantekening uit die dagen. Wat me toen opviel was de afwezigheid van morele verontwaardiging. Als je een rotsvast geloof hebt in het mechanisme van reïncarnatie heb je die ook niet zo nodig, want boontje komt toch wel om zijn loontje.

kruispunten
afwezigheid van morele verontwaardiging?

Hetzelfde gold trouwens ook voor compassie, die er de tegenhanger van is. Als elk ongeluk niet meer is dan karmisch gevolg van je eigen stommiteiten, waarom zou je er iets dergelijks dan op na houden… Ik herinner me een afgeladen stadsbus, die zich op klaarlichte dag in de gevel van een shop house op de Sukhumvit boorde. Bloedende, verfrommelde lichamen; het trok heel wat bekijks. De toegestroomde toeschouwers stonden erbij met een besmuikt glimlachje op hun lippen. Bang en opgelucht tegelijk. Bang dat het ze zelf kon overkomen. Opgelucht omdat de magie van de karmische wetten haar loop had genomen. Houvast gelukkig…

Tot dan toe had ik gemeend, dat ik uit die stad van rook en gruis elk willekeurig moment weer kon opstappen. Vrij was om te gaan en staan waar ik wilde. Ik dacht op elk gewenst ogenblik weer mijn biezen te kunnen pakken om het elders weer eens te gaan proberen. Maar er zijn van die kruispunten waarop er zonder dat je meteen erg in hebt, een keuze wordt gemaakt. Misschien ben je er zelf bij, maar je ziet het niet. Op de een of andere, niet volledig te doorgronden manier, zou de keuze die ik maakte na mijn ontmoeting met Calla, die illusoire vrijblijvendheid voorgoed opheffen. Het zou me voor de rest van mijn leven, waar ik verder ook gaan mocht, vastklinken aan Bangkok al was ik me er op dat moment niet bewust van. Pas achteraf, als de fluïditeit van het leven met het ouder worden begint te stollen, wordt het zichtbaar…

Karma…, maar dan zonder het ethische kleurtje dat het boeddhisme eraan geeft. Met goed & kwaad heeft het niet zoveel te maken. Een leven in Bangkok is niet slechter of beter dan in Amsterdam, Rio of Parijs. Het is alleen anders, een onschuldige voorkeur die je kunt hebben; of opbouwen… Trouwens, wat dat karma betreft zoals het boeddhisme dat uitlegt: ik heb me altijd afgevraagd, waarom slechte daden ook slechte gevolgen zouden moeten hebben. Of goede alleen maar goede.

Empirisch is het niet vast te stellen. Een bank beroven kan best tot een gelukkig leven leiden als je niet gepakt wordt. Moraal of het nu christelijk of boeddhistisch is, laat de acties van de wraakgodin altijd plaatsvinden in de obscuriteit die na dit leven komt. Nemesis waakt, maar alleen in het onontgonnen gebied van reïncarnatie, in de christelijke hemel en hel of in een ander verzonnen hiernamaals. Nooit is er iemand uit teruggekomen om te vertellen, hoe het er daar nou precies aan toegaat.

Bovendien is goed & kwaad zelf, zoals ook de geschiedenis laat zien, aan verandering onderhevig. Piet Hein was eerst een held en nu een verguisde slavenhandelaar, wiens standbeeld beter in de gracht gekieperd kan worden.

kruispunten
herboren met nieuw prana…

Alles is onophoudelijk aan verandering onderhevig. Tijdens die waanzinnige drankdagen in Bangkok had ik het hart tegenover het hoofd geplaatst. Maar met het nieuwe prana dat mijn dagelijkse ademhalingsoefeningen me gaven, dacht ik daar nu alweer anders over. Altijd gadegelsagen  door Chom, die zichtbaar blij was met de kentering die zich aan het voltrekken was. Misschien zou het toch nog wel iets worden met die vent.

In mijn hallucinaties had ik gemeend dat er twee verschillende manieren van kijken waren. De ene vol gevoel en intuïtie, de andere analyserend en koel berekenend. En ik had me zelf vol zelfverachting in die laatste categorie geplaatst en Calla als de heilige maagd in de eerste. Maar ik begreep nu, dat wat we bij vlagen zo trots de Rede noemen, uiteindelijk ook niet meer is dan een specifieke vorm van hartstocht. En ik genas. Zelfhaat is als een ziekte en niet wezenlijk verschillend van andere pathologische aandoeningen. Als je geluk hebt, herstelt de natuur altijd de liefde voor het eigen ik. Want niemand is in staat zichzelf blijvend af te vallen zonder er een einde aan te maken.

In mijn emotionele oprispingen was Calla natuurlijk nooit uit mijn gedachten geweest. Zij, die de vrouw voor altijd had moeten worden, was degene op wie al die innerlijke dialogen gericht waren. Zij, die eiste dat er een eeuwig geldend moraal moest zijn. Ik zag haar bloemenmond weer voor me. ‘Als er dat niet is, dan is er niets meer’, had ze me met angst in haar ogen gezegd. Een moreel houvast dat niet meer dan de contingenties van het eigen leven verankerde, was voor haar benedenmaats. Het moest van alle tijden zijn, onveranderlijk en absoluut. Ze was zo puur en als ik daaraan dacht gaf het me een pijnscheut.

Een heilige wilde ze zijn. ‘Ik ging naar Vietnam, omdat ik iets goeds wilde doen’, had ze me die eerste avond gezegd, toen onze lichamen elkaar zo spontaan hadden gevonden. Voor haar was Vietnam een van de kruispunten in haar leven geweest dat de verdere afloop zou bepalen, al had ik op dat ogenblik de vertakkingen daarvan totaal van niet doorzien. Maar dat zou nog komen…

Maar voor nu, met de nieuwe energie opgedaan tijdens de yoga sessies onder het afdak van Chom, was ook mijn levensloop zich diepgaand aan het wijzigen. Aangezien ik zowat blut was, was dat het eerste wat om aandacht vroeg. Hoewel ik de drank verder liet staan, had ik maar net genoeg geld om het bij Chom nog enkele dagen te kunnen volhouden. Er waren kloeke besluiten nodig…

Op een ochtend stopte ik het bronzen beeldje dat ik met Calla in Rangoon gekocht had, in een plastiek tasje en toog er mee naar Surivongse Road, hopend het daar te gelde kunnen maken. In een overvolle stadsbus, want een taxi kon niet meer lijden. Het had de afgelopen nacht flink geregend en Bangkok stond weer eens onder kniehoog water.

kruispunten
Bangkok weer eens onder kniediep water…

Op Surivongse wist ik een zaak in oosters antiek, die werd gerund door een Nederlander. In een krantenartikel had ik wel eens wat over hem gelezen. Met een opleiding Aziatische studies in Leiden, was hij de grote specialist op het gebied van Aziatische kunst. Als er ergens in de Aziatische wateren de lading uit een gezonken VOC-schip werd geborgen, werd hij erbij gehaald om eventuele kunstschatten te bekijken.

‘Een mooi stukje, met een heerlijk doorleefd patine’, zei hij toen ik hem de boddhisattva toonde. Hij bekeek het van alle kanten en rook er zelfs aan. Volgens hem kwam het uit Tibet. Dat was overduidelijk te zien aan de vorm van de ushnishi, de haarkroon met de uitstulping op de schedel, en aan de bloemenkrans om zijn nek. Hij bood me het 20-voudige van wat ik ervoor betaald had, wat ver boven mijn verwachtingen was. Natuurlijk stemde ik er onmiddellijk mee in. En met weer wat banbiljetten op zak sprong ik juichend in een tuk-tuk naar The Red Lion op Rama IV, in de buurt van U-Chuliang Building, waar toen de Bangkok Post nog was ondergebracht. Om me daar tegoed te doen aan een stevig Engels ontbijt met bacon, worstjes, beans, eieren, koffie en geroosterd volkorenbrood. Want na de hongerdagen toen mijn gekwelde maag alleen maar rijstsoepjes had kunnen verdragen, moest ik weer eens wat op krachten komen. Ik was kilo’s afgevallen.

op krachten komen…

Bovendien hoopte ik er Bachoë te treffen, die daar op dit uur meestal lunchte. Ik wilde hem vragen om mijn nog te schrijven artikel over Rangoon na te kijken voordat ik ermee naar The Nation ging. Bachoë was een al jaren geleden naar Thailand uitgeweken Birmaan met dezelfde languido blik als Sam in zijn ogen. Hij was hoofdredacteur van een magazine, waar ik zo nu en dan op freelancebasis stukjes voor schreef. Eigenlijk waren het meer ‘write-up’s over bedrijven, waar dan onverbiddelijk het advertentieteam op afgestuurd werd, zodat de cashflow van de wankele uitgeverij op orde bleef.

Bachoë was een doorgewinterde eindredacteur en watervlug. Met zijn correctiepotlood, streek hij alle Engelse onvolkomenheden glad, die ik in die beginperiode neertikte. Maar een reisverhaal, want dat was wat ik van dat sediment uit Rangoon wilde maken, had ik hem nog nooit voorgelegd. Het zou trouwens ook niet passen in dat blad van hem.

In The Red Lion, een plaats waar alle buitenlandse scribenten elkaar ontmoetten om nieuwtjes uit te wisselen, bier te drinken en elkaar af te troeven, was het aardig druk. Ik trof Ralph aan zijn vaste tafeltje, helemaal achteraan in de hoek en schoof bij hem aan. Al etende vertelde ik hem van het plan om in te breken bij The Nation met een artikel over Birma. Om daarmee eindelijk eens een vast inkomen veilig te stellen.

Voor mijn Engelse lesjes werd ik per uur betaald en het aantal uren kon behoorlijk variëren naargelang het aantal studenten dat zich inschreef. En Bachoë betaalde me overeenkomstig het aantal woorden per gepubliceerd artikel. Voor mij was het een rekeneenheid geworden, zoveel woorden schrijven voor de huur, voor een maaltijd, een pot bier… Bachoë knikte begrijpend, toen ik het hem uitlegde. Hij wist wat het was om als freelancer je hoofd boven water te houden. Zelf had hij het jarenlang ook gedaan.

Ik vroeg hem of hij mijn artikel na wilde kijken, voordat ik het als een breekijzer tussen de deur van de Nation ging zetten. Want het moest natuurlijk foutloos zijn en dat was hem wel toevertrouwd. Bachoë stemde meteen toe. ‘Geen probleem’, zei hij met zijn zachte stem, die me onmiddellijk aan Sam deed denken. ‘Kom er maar mee af. Ik ben trouwens best benieuwd, wat je over Birma te melden hebt’. Als dank bood ik hem een biertje aan en ging terug naar mijn huisje in de sloppenwijk om mijn aantekeningen uit Rangoon te ordenen en mijn oude Remington af te stoffen. Daarna bracht ik mijn filmrolletje uit Birma naar een fotoshop voor ontwikkelen en afdrukken. Die avond vloeide er onder het afdak van Chom geen bier of wijn. Ik stond op een van de kruispunten in mijn leven. Morgen zou ik me aan het schrijven van dat artikel zetten.

(Wordt vervolgd)
De hele serie leest u hier: Birmese Passages Archieven | Trefpunt Azië (trefpuntazie.com)
Over Antonin Cee 200 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

2 Comments

  1. Goed geschreven weer en trefzeker. Nog even en je hebt een roman. Benieuwd naar het volgende deel.

  2. Kruispunten nodigen uit tot keuzes maken. Eenmaal genomen keer je ze de rug toe, want dat is het leven. Op het eind ervan maken we de balans. Het is dan pas dat de afgelegde weg een patroon vormt. Ikzelf en mijn leeftijdgenoten zitten volop in dat proces. Komt er nog een kruispunt of is dit nu al het doodlopend straatje? Mooi verhaal Antonin.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.