Birmese passages (4). Het oponthoud


 

oponthoud
Rangoon in de 19de eeuw

Elke stad krijgt naarmate ze opgroeit haar eigen karakteristiek. Amsterdam is een vochtige kelder vol 17de -eeuwse slakkensporen, die maar niet droog wil worden, Bangkok een enorme uitstulping van fungi op een moeras, die elk moment weer door de grondgeesten opgeslokt kan worden. Rangoon was tijdens mijn eerste oponthoud nog altijd bescheiden en deed het zonder overdreven hoogbouw. Niettegenstaande de enkele miljoenen mensen die er rondliepen had het nog altijd de ziel van een groot dorp dat de negentiende eeuw nog maar net uit was.

Te midden van de vervallen Engelse huizen in de koloniale wijk lag koningin Victoria in haar middagslaapje, waaruit ze nooit meer wakker zou worden. Maar op andere plekken van de stad was al een begin gemaakt met het bouwen van oerlelijke flatgebouwen, waar elk socialistisch regiem patent op lijkt te hebben. Gemotoriseerd verkeer was er weinig. Wat er rondreed waren grotendeels achterblijvertjes van de Engelsen, die met pingelende kleppen vanwege het lage octaangehalte, een walm van roet om zich heen trokken. Benzine was nog te koop in lege bierflessen.

Nadat Calla vertrokken was, maakte ik zonder enig vooropgezet doel maar met uitgestoken voelsprieten een lange wandeling om de stad eens goed in me op te nemen. Uiteindelijk kwam ik terecht bij een markt aan de rivier, waar kokosnoten werden verhandeld. Onder verroeste afdakjes van geribbeld blik lagen ze hoog opgestapeld te wachten op kopers. Een paar jongens waren bezig met het afladen van een vooroorlogs driewielig vrachtwagentje dat ik sinds mijn kinderjaren niet meer gezien had.

Er waren ook een paar vrouwen bij. Met kaarsrechte rug sjouwden ze op hun hoofd wasmanden vol kokosnoten naar de kleine, lage winkeltjes onder de afdaken. Het tempo zat er flink in en ik had de indruk dat ze per mand betaald werden. Onder hun vrolijk gekleurde thummy vermoedde ik een pezig lichaam zonder een enkel grammetje overbodig vet.

Een paar jongens hadden een andere variant bedacht. De ene gooide vanuit het vrachtwagentje de kokosnoten in een feilloze worp naar zijn vriend bij een winkeltje een tiental meters verderop. Met de toppen van zijn vingers ving die ze sierlijk op en speelde ze meteen weer door naar een onzichtbaar iemand die daarbinnen stond, waardoor het wel iets kreeg van een basketbalwedstrijd.

Antonin Cee, Birmese passages 3, Oponthoud, Rangoon
foto thestarcom.my

Ondertussen werd het echte vermaak, zoals in al die oosterse landen, ook niet vergeten. Tussen twee bergen kokosnoten waren een stuk of vijf gasten in niet meer dan een kickboksersbroek bezig met een partijtje takraw, wat er op neerkomt elkaar een bal van gespleten bamboe toe te spelen en die zo lang mogelijk met voet, hoofd en knie in de lucht te houden. Wat balbeheersing betreft hadden ze menig profvoetballer een lesje kunnen leren.

Inmiddels was de hemel aan het muteren geslagen en had enkele regenwolken verzameld, die snel aangroeiden en de zon in ballingschap stuurden. Plots werden ze doorstoken door de lange, grillige drietand van een bliksemschicht die ergens moet zijn ingeslagen. In de oorverdovende donder die volgde, brak ook het vruchtwater dat alle leven in stand moet houden en het kwam met tropische spilzucht naar beneden, zodat zelfs de rivier binnen enkele seconden volkomen doordrenkt was.

Zeildoek werd haastig neergelaten en iedereen perste zich onder de beschutting van een afdak tussen de kokosnoten. Op een open stukje grond tussen de winkeltjes zag ik een uitnodigende parasol staan en rende erheen. Toen ik eronder kroop zat er naast een tros bananen een klein meisje neergehurkt van hooguit tien. Dit was duidelijk haar winkeltje. Toen ik doorweekt tot op het bot naast haar ging zitten, keek ze me zonder een spoortje terughoudendheid met grote nieuwsgierige ogen aan. Ze wiebelde wat met haar kortgeknipte kopje zoals Indiërs dan doen en stak een wijsvingertje naar me uit. ‘Kuawalw saw’, zei ze ettelijke malen, ‘Kuawalw saw’, steeds maar weer wijzend.

Antonin Cee, Birmese passages 3, Oponthoud, Rangoon,
Zelfs de rivier geheel doorweekt. (foto the Burmese chronicles-blogger)

Lachend keerde ik mijn handpalmen binnenste buiten en trok mijn schouders op, maar daar nam ze geen genoegen mee. Kennelijk vond ze het belangrijk dat ik zou begrijpen. Met een klein handje greep ze mijn pols beet en tikte met een vingertje op mijn horloge. ‘Kuawalw saw, Kuawalw saw’, zei ze opnieuw, iets luider nu. Toen ik haar vragend bleef aankijken, werd haar mond tot een streep alsof ze diep nadacht. Met haar ogen tastte ze me volledig af alsof ze een aanknopingspunt zocht en ineens kwam er blijde lach op haar gezichtje toen ze haar blik liet rusten op het suède heupvestje dat ik droeg.

Tussen duim en wijsvinger pakte ze het beet en perste er wat regenwater uit.  ‘Kuawalw saw, kuawalw saw’, riep ze opnieuw al wat opgewonden, verschillende keren snel achter elkaar uit met iets van triomf in haar stemmetje. Later zou ik weten dat het rijk betekent. Hoe klein ze ook was, haar jonge kopje had zich al eigen gemaakt dat witte mensen rijk zijn, reconstrueerde ik achteraf. In het Birma van die dagen was er zelfs geen flesje cola te koop laat staan een suède vestje. Haarscherpe kinderlogica was het.

Toen de bui over was ging ik op zoek naar de Thaise ambassade voor het aanvragen van een nieuw visum dat me weer drie maanden verder zou brengen. Onderweg daarheen stuitte ik per toeval op een gebouwtje waarin het Nationale Verkeersbureau was ondergebracht dat zich toen nog de Burmese Tourist Board noemde. Met het oog op het artikel dat me bij The Nation moest binnenbrengen, dacht ik dat een praatje met een lid van die raad geen slecht begin zou zijn. Een paar quotes van een van die mannen waren nooit weg en meteen de daad aan die gedachte voegend, liet ik de fietstaxi stoppen en liep er binnen.

Bij de receptie, waar ik me vervoegde als een in het water gevallen, kwijt gelopen puppy zonder dat daarover een wenkbrauw werd opgetrokken, legde ik uit dat ik een interview wilde met de directeur voor een krant in Bangkok. Over toerisme, zei ik er heel nadrukkelijk bij om het onschuldig te houden. Want Birma had alle buitenlandse journalisten al jaren terug het land uit gezet en totaal geen behoefte aan pottenkijkers. Blijkbaar stelde dat gerust. De directeur was er niet kreeg ik te horen, maar zijn adjunct wel. Een paar minuten later zat ik onder een wiekende ventilator voor het bureau van een man met scherpe trekken in een wat rommelige kamer, waar de verf van de muren bladderde.

Als enige decoratie hing er een verkleurde foto van de Shwedagon Pagode waarschijnlijk om aan geven dat het hier om de Dienst Toerisme ging. Veel kon dat interview natuurlijk niet om het lijf hebben, want er kwamen in die tijd haast geen toeristen naar Birma. Dat was voorbehouden aan grote broer Bangkok, die al onderweg was naar de twee miljoen aankomsten per jaar. Rekening houdend met de gevoeligheden tussen deze oude aartsvijanden, leek het me maar het beste het over een hoopvolle toekomst te hebben.

Antonin Cee, Oponthoud, Rangoon, Birmese passages,
Ze vlogen nog met de F-27 (foto wikimedia commons)

‘Hebben jullie op korte termijn plannen om de gordijnen voor de toeristenmarkt nu eens open te trekken?’ vroeg ik hem meteen ter zake komend. Voordat hij antwoord gaf, knipperde de man een paar keer met zijn ogen alsof de vraag hem in verwarring bracht. Daarna moest hij ook nog enkele malen zuchten, maar tenslotte kwam het er toch uit.

Voordat aan zoiets te denken was, moest eerst de infrastructuur opgebouwd worden, hotels, vervoer, een luchtvaartmaatschappij met voldoende capaciteit. Burma Airways vloog in die tijd nog met de F-27 van Fokker, waar er regelmatig een van crashte, vermoedelijk alleen maar door gebrek aan onderhoud.

Het land was arm en vooralsnog waren er voor deze luxe projecten geen budgetten, vertelde de man. Maar dat kon verkeren, want toeristisch gesproken was er een enorme potentie. Ze hadden er een schat aan historische rijkdom. Maar het zou nog wel even duren voordat daar inkomen uitgehaald kon worden, ze hadden zoveel andere prioriteiten… Hij moest er weer eens van zuchten.

Dit was zowat alles wat ik wat ik gedurende dit korte oponthoud uit hem heb kunnen trekken. Destijds had het Birmese leger haar handen vol aan de gewapende conflicten met de vele etnische minderheden, die zelfbestuur wilden. En ook nu gaat die strijd om autonomie nog altijd door. Het land was opgedeeld in zogeheten witte gebieden die onder controle van het regeringsleger stonden, grijze waar ze het maar gedeeltelijk voor het zeggen hadden en zwarte die volkomen in de handen van de etnische rebellen waren. Welbeschouwd was Birma een fictief land, waar het militaire regiem een staat van wilde maken. Ik vroeg de man of er al enig zicht was op een oplossing van deze conflicten, maar daar kon hij niets over zeggen, want dat waren zaken van het leger…

oponthoud
De traditionele Birmese soep (foto the raoming fork)

Die avond bestond mijn diner uit een Mohingha soep van vis en rijstnoedels in een straatrestaurantje in de buurt van de Donjon. Ik spoelde het weg met lauw Mandalay bier want de ijskast werkte er waarschijnlijk maar op halve kracht en ijs hadden ze er niet. Op een laag tafeltje neergezet op de ingedeukte stoep stond een zwart-wit TV een oosterse liefdesfilm af te spelen voor iedereen die het wilde zien. Een groep mannen was er voor gaan zitten en zat er gefascineerd naar zaten te kijken. TV was in die dagen in Rangoon een rariteit die socialistisch gedeeld moest worden.

Het oponthoud met haar had nauwelijks 65 uur geduurd

Van het Birmees snapte ik niets natuurlijk, maar de beelden spraken voor zich. Het ging er suikerzoet aan toe. Tijdens een tweede fles bier, toen de held van de film zijn geliefde weer terugvond, dwaalden mijn gedachten als vanzelf naar Calla. Ze was nog maar net weg, maar ik begon haar nu al vreselijk te missen. Tijdens haar korte oponthoud in Rangoon had ik haar nauwelijks 65 uur om me heen gehad, maar ze had een onuitwisbaar liefdesengram in mijn hersens gestopt dat daar voor altijd zou blijven zitten. Ik hoefde mijn ogen maar even dicht te knijpen om haar weer voor me te zien met haar soms wat theatrale gebaren en haar hese stem. En die soms wat vreemde schittering in haar ogen.

Mijn gemoedstemming begon wat te versomberen, wellicht door het lauwe bier, door de eenzaamheid die reizen op onbekende plekken je onverbiddelijk oplegt, wat er natuurlijk tevens de charme van is, en door Calla die maar in mijn hoofd bleef rondstappen. Toen ik op het punt stond de Donjon maar weer op te zoeken kwam daar ineens Sam aanlopen, die op de luchthaven mijn fles en mijn slof had afgenomen. Hij had zijn broek met de schotse ruit waarmee ik hem die eerste keer had aangetroffen, ingeruild voor een longyi, die hem een stuk beter stond.

Als noten op een muziekbalk…

‘Hé Sam’, riep ik hem toe en stak mijn hand op, wat bij hem een grote stralende glimlach tevoorschijn bracht, die al die droefheid die hij in zijn ogen had ogenblikkelijk wegtoverde. Hij kwam bij me zitten en legde meteen een vertrouwelijke hand op mijn arm net zoals hij dat op de luchthaven had gedaan.

‘Vind je je weg een beetje in ons mooie Rangoon’, vroeg hij in dat Oxford Engels van hem zijn languido blik op me richtend. ‘So far so good’, liet ik hem weten en naar mijn fles wijzend vroeg ik hem of hij ook een biertje beliefde. ‘Als je het niet erg vindt’, antwoordde hij ineens wat verlegen, ‘mag het ook een Mohingha zijn?’ ‘Ik geloof zowaar dat ik honger heb’.

‘Laat we het compleet houden en het allebei doen’, stelde ik voor. Op zijn gezicht verscheen weer die prachtige glimlach, waarmee hij elke mensenhater voor zich zou kunnen innemen. We bestelden Mohingha en meer bier en voor het eerst raakten we echt aan de praat. Sam had enige tijd voor een krant gewerkt, maar omdat daar alles in overeenstemming moest zijn met de ‘Birmese weg naar socialisme’ had hij na enkele ferme woordenwisselingen met zijn hoofdredacteur er de brui aan gegeven. Die man had zelf natuurlijk ook wel geweten wat er allemaal mis was aan het militaire regiem, maar om te overleven had die zich willen aanpassen.

Voor Sam was het er nadat hij ontslag had genomen, niet beter op geworden. Het viel niet mee in leven te blijven door af en toe een paar buitenlandse bezoekers rond te leiden. Al wekenlang had hij niets omhanden gehad en daar moest snel verandering in komen al zag hij niet meteen hoe. Zijn blik dwaalde even weg naar de elektriciteitskabels, waarop een vlucht migrerende zwaluwen was gaan zitten als noten op een muziekbalk, alsof daar een oplossing kon liggen.

Ik vroeg hem hoe het kwam dat hij zo goed Engels sprak. ‘Alleen maar door een gelukkig geboortejaar’, zie hij met een fiere krul in zijn mondhoeken. Toen hij zag dat ik hem niet begreep legde hij uit. Hij had nog net het geluk gekend van een paar jaar les in het Engels op een van de universiteiten. Net na zijn kandidaats werd ook de scholen genationaliseerd en Birmees de verplichte voertaal. Daarna was het in het onderwijs en eigenlijk op alle andere gebieden, snel bergafwaarts gegaan. Hij had geprobeerd in Bangkok te geraken, waar hij misschien zou kunnen werken voor een Engelstalige krant, maar zonder kruiwagen was het hem niet gelukt.

Mon soldaten op parade (foto Mon News Agency)

‘Ik ben er zelf ook mee bezig’, viel ik hem in de rede ‘maar weet ook niet zeker of ik zal slagen’. Hij keek me nieuwsgierig aan. Blij een gelijkgestemde ziel te ontmoeten, legde ik hem uit dat ik tijdens mijn oponthoud in Rangoon wat aanknopingspunten zocht om een artikel te schrijven voor The Nation in Bangkok en vertelde van het interview deze namiddag.

‘Misschien kan ik je helpen’, zei Sam me weer eens vertrouwelijke op mijn arm kloppend alsof we elkaar al jaren kenden en ergens voelde dat ook wel zo. De eigenaar van de soepstal bracht hem zijn Mohingha en omdat iedereen een regeringspion kon zijn, wachtte Sam even totdat die weer buiten gehoorafstand was. Hij kende een oude man, vertelde hij ondertussen gretig zijn soep naar binnen werkend. Een voormalige leider van de Mon, één van die etnische groepen. Als ik uit de eerste hand wat informatie over die conflicten zocht, was dat misschien wel de juiste man om te ontmoeten. Als ik wilde konden er we er morgen heen.

We spraken af dat hij naar de Donjon zou komen om me op te halen en dronken de man nog een fles lauw bier. Daarna nokte ik af om in de Donjon de leuningloze, steile trap naar mijn kamer te beklimmen. Op het bed lag nog de geur en de warmte van haar lichaam, versterkt door haar afwezigheid. ‘Calla, Calla’, prevelde ik net voordat ik de eerste slaapfase binnengleed en het klonk haast als een gebed. (Wordt vervolgd.)

Ook op Trefpunt Azie: Het Verhaal van de Week: Brief uit Koh Chang. Wolken en licht

Antonin Cee
Over Antonin Cee 177 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*