Birmese passages (3). Ieder mens een dier

Antonin Cee, Birmese passages 3, ieder mens een dier, Indiaan,
Ze hebben het aldoor geweten…(foto gezien op visually)

Ze hebben er altijd rekening mee gehouden en brachten het in hun namen tot uiting. Wie kent ze niet uit de Westerns, Sitting Bull, Black Hawk en Crazy Horse om er maar enkele te noemen, die werden ontrukt aan de vergetelheid. De Indianen wisten: ieder mens heeft een dier in zich. Ook in Thailand krijgt iedereen een koosnaampje dat vaak een dier is, …vogel, muis, kip, varken…

Wat mezelf betreft, ik heb aardig wat chromosomen van een solitaire zwerfkater in me, die na de paring weer verder trekt om zich het volgende seizoen weer te melden. Maar bij Calla kon daar geen sprake van zijn. Ik kon mijn ogen niet van deze godin afhouden en wilde dat dit meer zou zijn dan een voorbijtrekkend reisavontuurtje. Ze moest de vrouw voor altijd zijn…

Voor zover ik kan terugkijken is mijn leven altijd gedirigeerd door het triumviraat van inval, impuls & intuïtie, waar ik me volgzaam aan onderwerp zoals Spaanse galjoenen aan de passaatwinden. Ik zeil door het bestaan met als kompas niet meer dan mijn eigen onverhoedse ingevingen en kan daarbij behoorlijk hard van stapel lopen. Na die eerste nacht met Calla overwoog ik om haar onmiddellijk een huwelijksaanzoek te doen, wel wetende dat Amerikaanse vrouwen daar gevoelig voor zijn. Maar na wat endogeen overleg, leek het me beter dat toch maar even uit te stellen tot we in Bangkok waren.

Gisteravond na die opmerking van haar dat de menselijke geschiedenis uitsluitend uit geweld bestaat, hadden we nog wat nagepraat. Ieder mens mocht een dier in zich hebben, maar wat ons anders maakte was ons streven daarboven te staan, meende ze. Anders zou ons tijdelijke verblijf hier geen enkele zin hebben. ‘Dieren eten, paren, verzorgen hun kroost en sterven en vervolgens doen hun jongen precies hetzelfde’, zei ze liggend in de holte van mijn arm.

Maar zij eiste meer van het leven. Dat het ergens heenging…, dat er een doel was… Hoe diep weggestopt dat ook mocht zijn in de menselijke evolutie. Die nooit te stillen wens was natuurlijk de drijvende kracht achter elke religie, dat wist ze ook wel.  De christenen hadden hun hemel, de boeddhisten het nirwana waar ze op een dag hoopten aan te komen. Elke religie had zijn eigen vertellinkje om onze aanwezigheid op deze aarde zin te geven. Maar wat was er niet gemoord omwille van al die verschillende verhaaltjes. Ze had er zich nooit aan kunnen geven hoe verleidelijk het op sombere momenten ook zijn kon.

Antonin Cee, Birmese passages 3, Hegel,
Hegel: op weg naar de wereldgeest

Ze was op andere plaatsen gaan zoeken en had er Hegel op na gelezen, vertelde ze waarmee ze me tot smelten toe vertederde want zelf had ik dat ook gedaan. Een betere match dan dit godsgeschenk was er voor mij op deze aarde niet te vinden, hield ik mezelf voor.

Hegel had geloofd dat er vooruitgang zit in de geschiedenis van het mensdom, dat we steeds dichter bij de Wereldgeest komen, vervolgde Calla in met opwindende hese timbre in haar stem dat me naar nooit eerder verkende erotische toppen dreef.

De grote eenwording die ooit zou komen. Voor Hegel was het Pruisen dat wat de voortgang naar die eenwording betrof, bovenaan de evolutionaire ladder stond. Nietzsche had er zijn Übermensch mee kunnen bouwen en het had Marx ertoe aangezet het proletariaat te verheerlijken. Met stomheid geslagen hing ik aan haar lippen, want zelf voelde ik dat ook precies zo. Voor het eerst in mijn leven had ik een zielspartner gevonden.

Was elk mens werkelijk meer dan een dier?

Maar als je die kant op dacht, ging ze verder, dan liep het altijd weer mis, zoals de geschiedenis liet zien. Want dergelijke overtuigingen werden steeds maar weer aangewend als excuus om geweld te rechtvaardigen. Als je goed keek, kwam het altijd weer neer op: ik ben beter dan jij. Het resultaat? Kanongebulder en massale slachtingen zoals ze het in Vietnam had gezien.

En daar stond ze dan met lege handen, vervolgde deze prinses aan wie ik me opgewekt voor eeuwig wilde onderwerpen. Ook in Vietnam had je moeten geloven dat je beter was dan de anderen, die met een geweer tegenover je stonden. Anders hield je het niet vol. En toen was de twijfel aan haar gaan knagen. Was elk mens werkelijk meer dan een dier? Stond hij er echt boven? Was het leven ook nog iets meer dan die cyclus van geboren worden, zich proberen te handhaven met al het geweld dat erbij komt, kroost verwekken en doodgaan?

Moord en doodslag konden best eens van nature bij het mensdom horen zoals een gestreepte huid bij een zebra en olifanten slagtanden hebben. Misschien had de natuur vanaf het begin met teleologisch inzicht een mechanisme ingebouwd in de menselijke aard om overbevolking enigszins in toom te houden. Het mocht dan onschuldig vermaak lijken maar waarom vonden mensen oorlogsfilms zo spannend? Kennelijk genoten ze ervan. Zelf kon ze er nooit meer een zien…

Antonin Cee, Birmese passages 3, ieder mens een dier, Oorlog,
Elkaar afslachten, zat het in de menselijke aard?

Die overweging had haar in een geestelijk vacuüm geworpen, waar ze van moest huiveren. Een leegte, waar ze bang van was en die haar soms ontzettend eenzaam maakte. Wat ze ook deed het zat altijd ergens in haar hoofd. Maar verreweg de meeste mensen waren in hun dagelijkse leven zo druk met die cyclus, dat ze zich maar zelden afvroegen waar ze allemaal mee bezig waren. ‘Ze doen net alsof die leegte niet bestaat’, voegde ze er zachtjes aan toe haar hoofd naar me toedraaiend. In haar stem lag iets van verwijt, maar in haar ogen las ik een mengeling van angst en verlangen.

Ik tilde haar kin op en legde een wijsvinger over haar bloemenmond. ‘Pas maar op dat je geen misantroop wordt’, zei ik in een poging die angst weg te halen. Ik kuste haar voorhoofd, haar neusje, haar kin en liet mij ogen in de hare zinken. Ik zocht haar liefde, want dat is voor mij het enige dat het raadsel van  ons bestaan enigszins dragelijk kan maken en wilde die met haar delen. ‘Als er alleen maar die leegte is, dan hebben wij toch altijd nog elkaar’, zei ik om haar op te monteren. ‘Misschien is dat alles wat we hebben. Is dat voor jou niet voldoende?’ Als antwoord sloeg ze haar armen om mijn nek en trok me wild naar zich toe.

De volgende ochtend werd ik wakker met de beste BJ die ik ooit gehad heb. ‘Good morning’, zei Calla toen het over was, en voegde er lachend aan toe: ‘we are happy to serve you’. Ze zwaaide haar benen het bed uit en sloeg een handdoek om. Voordat ze verdween naar de gemeenschappelijke doucheruimtes stak ze haar hoofd nog even om de deur. ‘Vandaan begint de grote ontdekkingstocht’, lachte ze. Zo te zien had ze het in haar hoofd weer aardig onder controle

Antonin Cee, ieder mens een dier, Tempelgoud,
Vijftig ton aan bladgoud…

We moesten natuurlijk de Shwedagon gaan zien met haar vijftig ton aan bladgoud, waarvan de legende verteld dat er in de vijfde eeuw voor Christus met de bouw begonnen was. En Sule waar de geesten, de nats zoals ze hier worden genoemd, in ere worden gehouden. Er zijn heel wat van en als je niet uitkijkt gaan ze zich overal mee moeien.

Na een heerlijk ontbijt van nan en Indiase curry aan een straatstalletje sprongen we in een fietstaxi en lieten we ons erheen rijden, Calla dicht tegen me aangedrukt in het smalle kuipje. Ik genoot van het oosterse straatleven dat ik nu na al die jaren nooit meer kan missen en met haar naast me was het dubbelop. We dompelden onze ogen in al dat goud en glitter en wandelden daarna wat rond in de oude koloniale wijk tot we op de Sule stuitten. Maar daar wilden we niet meer binnen. Zowel Calla als ik hadden al heel wat tempels gezien, waardoor het mysterieuze dat ze hebben er wat vanaf was.

In een klein straatje kwamen we langs een tweedehandswinkeltje met boeken en wat antiek ogende voorwerpen. Ik kocht er een klein bronzen beeldje van een Tibetaanse boddhisatva met een bloemenkrans rond zijn hals, waar de eigenaar me van verzekerde dat het minstens 400 jaar oud was. Als dat werkelijk zo was, vroeg hij er een belachelijk laag bedrag voor. Maar dat kon je nooit weten natuurlijk, hield ik me voor. Het kon best eens een gelukkige aankoop zijn. In mijn hoofd ontvouwde zich een plan voor als ik eenmaal terug was in Bangkok.

Met het geld van mijn slof en mijn fles kocht ik er voor Calla een zilveren ring met een bloedrood robijntje, die precies paste. ‘Dat je voor eeuwig aan me denkt’, zei ik terwijl ik hem aan haar vinger schoof. ‘So help me God’, gniffelde ze haar rechterhand opstekend en op haar bloemenmond verscheen weer die stralende glimlach.

Antonin Cee, Birmese passages 3, Rivierboot,

Daarna liepen we naar de rivier, want Calla wilde per se naar Syriam om het huis te zien waar George Orwell gewoond had, toen hij nog politieagent was in het koloniale systeem. Ze had verschillende van zijn boeken gelezen en vooral genoten van Birmese Dagen. ‘Hij had ook zijn buik vol van dat overheersende, koloniale geweld’, zo verzekerde ze me.

Toen ze het over dat boek kreeg, zag ik er niets bijzonders in. Calla sprak graag over wat ze zoal gelezen had en dat was nogal wat. Maar here Jezus nog aan toe, hoe spottend kan het lot soms op ons toekijken. Want de hoofdpersoon in dat boek van Orwell heeft nadat hij zijn Engelse verloofde kwijtraakt, nooit meer een blanke vrouw en leeft verder met een inlandse, zoals je het toen nog mocht duiden. Het was precies wat mij zou overkomen nadat Calla verdwenen was. En dat had niets te maken met het feit dat elk mens een dier in zich heeft en ik weer eens de zwerfkater ging uithangen.

Over de rivier die vele voetbalvelden breed was, gingen we naar het zuiden. De boot was een houten gevaarte met twee op elkaar gestapelde dekken en had ook benedendeks ruimte om te zitten. Het zag er allemaal nogal wrakkig uit en hij was afgeladen vol. Er stonden vast meer dan duizend mensen tegen elkaar geperst. Al die mannen in hun felgekleurde longyi en de vrouwen in traditionele thummy maakten van de dekken een grote, wuivende bloementuin.

Ik stond erop naar het bovenste dek te klauteren. Daar wurmden we ons door die mensenmassa naar de reling op het voorschip en dat niet alleen om het uitzicht. Als dat schip zou omslaan zouden we weliswaar een flinke duik maken, maar konden dan in ieder geval zwemmend nog wegkomen. En dat bleek geen overdreven voorzichtigheid. Terug in Bangkok las ik enkele weken later in de krant, dat een van die boten was gezonken, waarbij honderden mensen waren verdronken.

Vanuit de hoogte zagen we het water gorgelend en snuivend aan de boeg voorbijtrekken. Een briesje komend van zee borstelde de rivier en zette er kleine witte schuimkapjes op, waarin het zonlicht uiteenspatte. Ergens voor ons aan de groen afgerande oever moest Syriam liggen, waar Calla haar afspraak had met het verleden van George Orwell. Ze sloeg een arm rond mijn middel terwijl we keken naar de zeemeeuwen, die op stijve vleugels voorbij scheerden. Ik weet, dat ze op die momenten gelukkig moet zijn geweest. En als ik daar nu aan terugdenk begrijp ik dat ieder mens twee tegenstrijdige gevoelens in zich meedraagt, waarvan er één vaak verborgen blijft totdat het te laat is.

Antonin Cee, Birmese passages 3, The Strand, Koloniale dagen,
The Strand in koloniale dagen…

Tegenwoordig google je alles op als je iets wilt weten. Maar in die dagen was er alleen maar het reisgidsje van Lonely Planet of de Inside Guide. Zelf had ik er nooit een bij me en ging volkomen onvoorbereid op reis om alles bij toeval te ontdekken. Zoals de Franse surrealisten dat hadden al was dat bij hen alleen maar frivole buitenkant en literaire imagobouw. Van Andre Breton, de paus van die beweging, dacht ik dat hij net als ik leefde onder de regie van het triumviraat van inval, impuls & intuïtie. Dat hij als de inspiratie er was, zijn boekjes haastig aan een cafétafel of onder een Parijse brug neerpende in een toevallig gevonden schoolschrift. Misschien werd er zo nu en dan een glas wijn of pastis op omgestoten, waardoor zijn bijeengesprokkelde pennenvruchten uitliepen en grotendeels onleesbaar werden. Ik dacht dat hij het allemaal best vond. Totdat ik een keer een foto zag van zijn werkkamer met boekenkasten, een blinkend bureau en alles spic en span op orde.

Calla had wel haar reisgidsje dat ze veelvuldig raadpleegde. En na alles eens goed bekeken te hebben vond ze het passend dat we die avond in de Strand zouden eten, dat hotel uit de koloniale tijd gebouwd in 1897 door twee Armeense broers. Het zou onze laatste gezamenlijke avond in Rangoon worden, want de volgende dag zou ze de trein nemen naar Mandalay, een trip van minstens vijftien uur. Ze wilde absoluut het Gouden Paleis zien van koning Thibaw, de laatste van zijn dynastie die eeuwenlang over Birma geregeerd had. In 1895 maakten de Britten daar een einde aan en werd hij verbannen naar een onbetekenend vissersdorp op de westkust van India. Hij zou zijn geboorteland nooit terugzien.

Antonin Cee, Birmese passages 3, ieder mens een dier, Koning Thibaw
Koning Thibaw, die zijn land nooit terugzag

Allebei hadden we erover gelezen in een boek van Norman Lewis, wat bij mij het gevoel dat de goden ons bij elkaar gezet hadden nog verder versterkte.  Enkele tientallen jaren later zou ook Amitav Ghosh een prachtige historische roman rond dat thema schrijven, maar daar heb ik het met Calla nooit over kunnen hebben. Vanuit Mandalay zou ze misschien ook nog in één dag even op en neer kunnen naar Bagan. Binnen de beperkte tijd die in Birma was toegewezen was het allemaal net te halen.

Ik zou niet met haar meegaan. Tijdens onze laatste copieuze maaltijd met heerlijke lokale curries, pittige toespijzen en Mandalay bier in de Strand die er in die dagen behoorlijk verwaarloosd bij stond, legde ik het haar uit. Ik wilde in Rangoon blijven, de ziel van de stad blootleggen, in haar darmen wroeten. Wat ik precies ging doen wist ik nog niet, maar ik wilde terugkomen in Bangkok met een goed artikel om er bij een krant binnen te geraken. En er was daar maar één mogelijkheid; het moest en het zou The Nation worden. De andere Engelstalige krant zat al aan haar quota voor het aantal buitenlanders dat ze konden inhuren. Ik kon maar een enkel schot lossen en dat moest raak zijn. Ik wilde die kans niet verprutsen en er beslist met een goed verhaal aankomen.

Calla zou die reis alleen gaan maken en daar had ze geen moeite mee, want ‘ze was een grote meid die goed op zichzelf kon passen’. Maar ook nu na al die jaren zijn er nog altijd van die peinsmomenten, dat ik rondjes draai in mijn hoofd en het mezelf kwalijk neem niet met haar te zijn meegegaan. Misschien, misschien, zo houd ik mezelf voor zou het dan heel anders verlopen zijn.

De volgende ochtend sleepte ik haar rugzak de trapladder af van wat we inmiddels de Donjon gedoopt hadden en bracht Calla naar een fietstaxi, die haar naar het station zou brengen. ‘Tot over enkele dagen op Rangoon airport’, waren de laatste woorden die ik van die hese stem ooit nog zou horen. Ik keek haar na en voordat ze de hoek omging, keek ze nog even over haar schouder om me over haar uitgestrekte paarsgelakte pianovingers een kushandje toe te blazen. (wordt vervolgd.)

 

Ook op trefpunt Azie: De zee bezworen, een scheepsjournaal

 

Antonin Cee
Over Antonin Cee 172 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

3 Comments

  1. Ja helemaal eens met Berthy, weer een fantastisch beeldend verhaal. Ik zou bijna verliefd worden op die Calla. Waarom staat dit verhaal niet in een van je verhalenbundels Antony? Benieuwd naar deel drie.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*