Birmese Passages (2). Nieuwe vleugels


nieuwe vleugels
Zij gaf me nieuwe vleugels.. (foto amazon.com)

Met alle verrassingen die het kan hebben, geeft het leven je soms nieuwe vleugels, waarmee je een tot dan toe onvermoed luchtruim wordt ingeschoten. Voor mij bestond die onbekende ruimte uit een verliefdheid, die zich maar één keer in een mensenleven voordoet. Dat is wat me te beurt viel in dat guesthouse waar Sam me had heen gestuurd. De vrouw die daar ineens voor me stond, deed mijn bloed tintelen van opwinding. Haar plotselinge verschijning  sloeg me emotioneel in één keer knockout. Het zou voor altijd aan mijn bestaan blijven plakken.

In mijn zwerfleven heb ik heel wat verschillende  soorten accommodatie gehad, van vijf sterren hotels tot minimalistische kamertjes in Chinese hotelletjes in achteraf steegjes waar nauwelijks een fietstaxi doorheen kon. Maar het guesthouse waar ik deze keer terecht kwam had abondante ruimte om zich heen in de vorm van een ruime en nogal wilde tuin, die je eerder bij een landhuis zou verwachten. Het lag niet ver van de Sule Pagode op korte afstand van de rivier. Er lag een verweerde muur omheen van gebarsten stukwerk met op manshoogte om de paar meter een nisje erin, waar in het pre-elektrische tijdperk olielampjes  gestaan  hadden.

Hier en daar schoot manshoog olifantsgras op tussen knotten  bamboe, waarin de groene boomslang zich bij voorkeur ophoudt. Over de muur hingen wijd uitwaaierende, bloedrode bougainvilles en middenin de tuin stond met zijn geribbelde borstkas een enorme Pipal boom. Daaronder enkele tuintafeltjes en klapstoeltjes, waarop een paar blanke reizigers zaten. Zo mocht je die Birmagangers toen nog duiden. Want Birma was in die tijd niet bepaald een land waar je met een cocktail aan het zwembad de toerist ging uithangen. Langharig en bebaard conform de reismores uit die dagen, zaten ze aan een partijtje schaak. Eromheen stonden een stuk of wat Birmezen met gekruiste armen. Slank en zonder heupen in hun gestreepte longyi  keken ze  hoofdschuddend toe op elke zet die gedaan werd en gaven soms luidruchtig commentaar.

Antonin Cee, Nieuwe vleugels, Verpleegster, donjon
Het had iets weg van een donjon (foto gezien op Tripadvisor)

Het huis zelf van vier verdiepingen hoog was een eclectisch bouwsel dat misschien ooit als woon- en pakhuis van een rijsthandelaar had gediend. Het was een rechtop staande meetkundige balk op een ondergrond van lateriet. Zonder het welvende Chinese dak had het voor de donjon van een middeleeuws kasteel kunnen doorgaan. Asymmetrisch aangebracht in de met mos en klimop begroeide muren zaten hier en daar enkele zwaar getraliede smalle raampjes die veel weg hadden van schietgaten.

Op de benedenverdieping was een grote ruimte belegd met een mozaïek van gebarsten korenblauwe, roze en zeepgroene tegeltjes. In een van de hoeken voerde een smalle, leuning-loze trapladder naar de verdiepingen erboven. Langs de wanden stonden zware houten banken geciseleerd met draken en naga’s, waarop een paar Birmanen met opgetrokken knieën  in hun longyi  lagen te slapen. Ze hadden een handdoek over hun hoofd getrokken, waardoor ze op bundeltjes wasgoed leken.

Van het hoge plafond gestut door zware balken hingen aan lange snoeren een paar belachelijk kleine peertjes. Het wattage was zo laag dat alles wat schemerig bleef als in een Boeddhistische tempel. In het midden van het vertrek stond een grote teakhouten tafel van zeker zes meter lang met zware poten uitlopend in tijgerklauwen en daar was de receptie.

‘Welcome, welcome’, zei de jongen in  korte broek met de gespierde benen van een kickbokser, die er in kleermakerszit bovenop zat. Hij  sprong er lenig van af en stond erop me een hand te geven waarschijnlijk om te laten zien dat hij westerse manieren kende. Hij sloeg een enorm schrift open, waarin met gemak het gedetailleerde grootboek van een middelgroot warenhuis was onder te brengen, ging met een wijsvinger langs de kolommen en vormde daarna een brede glimlach met zijn dikke lippen. Ze hadden nog enkele bedden in de  slaapzaal maar ook nog één tweepersoons privékamer vrij. Mijn keus was snel gemaakt; ik nam de privékamer en gaf hem mijn paspoort.

‘Excuse me’, hoorde ik opeens achter me en voelde een tikje op mijn schouder. Ik draaide me om en daar stond ze. Ze moest vlak achter me zijn binnengekomen, maar ik had haar niet gehoord. Blond als een rijpend korenveld in het strijklicht van de de ondergaande zon, stond ze daar met haar lange haar in vlechten die uitliepen in uitwaaierende kwasten en haast tot op haar middel vielen. Ze moest tegen de dertig lopen en niettegenstaande de spaarzame verlichting kon ik zien dat ze blauwe ogen had. Blauw als een baai aan de Costa Brava op een wolkeloze winterdag tegen het eind van de middag als de lucht vol ijzer zit.

nieuwe vleugels
Blauw als een Spaanse baai op een wolkeloze winterdag…

Maar wat me de genadeslag gaf was haar bloem van een mond, die me bedwelmde met alle geuren van de feromonen die de vrouwelijke sensualiteit heeft weten te ontwikkelen. Haar lippen waren licht aangezet in dezelfde tint als het lichtpaars van haar bloes, die ze boven haar middel had dichtgeknoopt en haar navel bloot liet, waarin een edelsteentje schitterde. Daaronder een zilverkleurige broek, strak rond haar dijen en uitlopend in olifantspijpen. Op haar  paars-grijs geblokte gympen moest ze als een kat achter me zijn binnengeslopen. Haar ogen schitterden alsof ze er net een laserbehandeling aan had laten doen.

‘Excuse me’, kwam ze opnieuw, ‘ik heb het niet zo op slaapzalen en hoorde net dat er nog maar een tweepersoonskamer vrij is. Maar het ziet er naar uit dat die nu ook geconfisqueerd is’. Ze had een wat hese stem die onverwachts laag op de toonladder lag en je meteen bloedgeil maakt. ‘Maar ik zou zelf ook graag liefst privé zitten’, liet ze er op volgen toen ik haar aangezogen door die felle blik zwijgend bleef aankijken.

Ik weet niet wat ze op mijn gezicht heeft kunnen lezen, maar ze moet het grappig gevonden hebben, want er krulde een geamuseerd lachje  rond haar lippen. ‘Ach, neem me niet kwalijk’, ging ze verder voordat ik iets had kunnen zeggen. ‘Ik ben Calla, Californian breed uit de USA.” Ze hield me een hand voor die stevig en koel aanvoelde hoewel de lucht zwaar was van het vocht. ‘Zeg, kunnen we die kamer misschien delen?’

Op nieuwe vleugels

Ze trok haar wenkbrauwen vragend op en hield haar hoofd een beetje scheef alsof ze in spanning mijn antwoord afwachtte. Fataal getroffen door de blikseminslag van haar verschijning en volkomen gefixeerd op die prachtmond van haar, kwam ik niet verder dan wat gemompel. Natuurlijk kon dat, zeker, zeker, geen enkel probleem. Op haar lippen verscheen weer een beginnend lachje alsof ze een binnenpretje had.

Antonin Cee, Birmese passages, Nieuwe vleugels, Ringo Starr
Ringo Star, die zijn eigen ritme probeert in te halen. (foto Ludwig drums)

‘Prachtig, uitgemaakte zaak dan’, zei ze een ferm stemmetje opzettend alsof we net een of andere zakendeal hadden gesloten. Ze deed haar rugzak af en liet hem met een plof op de grondvallen. ‘Pff, behoorlijk warm niet?’ ging ze verder met een hand over haar voorhoofd strijkend. Ik zag dat ze lange paarsgelakte pianovingers had, met aan haar wijsvinger een ring met een grote, blauwe stersaffier.

‘In Vietnam hadden we zelden zulke hete dagen. Het zal vast boven de 100 Fahrenheit zijn’, vervolgde ze en kwam vlak voor me staan, zo dichtbij dat ik me met geweld moest inhouden haar niet vast te grijpen om die bloemenmond van haar te gaan zoenen.

‘Wat denk je’, zei ze haar hoofd naar me oprichtend, ‘misschien kunnen we eerst wat drinken? Ik sterf van de dorst. Dan kunnen we elkaar als kamergenoten tegelijk wat beter leren kennen.’ Haar stem had iets traags, iets bedachtzaams, alsof ze bang was met haar gedachten achter haar eigen woorden aan te huppelen. Zoiets als bij Ringo Starr, die drumt alsof met zijn roffels achter zijn eigen ritme aan struikelt.

Proberend weer wat bij zinnen te raken vond ik alles best zolang ik maar bij haar in de buurt kon blijven. Ze moet natuurlijk meteen geweten hebben, dat ik hopeloos verlekkerd op haar was. ‘Waar wil deze dame dat doen?’ vroeg ik om mezelf een houding te geven.

Ze draaide  zich een halve slag om alsof ze een danspas deed en wierp een gestrekte arm naar de tuin. ‘Onder die grote boom lijkt me een uitgelezen plek voor nadere kennismaking, vind je niet?’ trommelde ze in haar backbeat ritme. Met dezelfde onverwachte beweging zwierde ze weer terug om zich tot de receptionist te richten, die met een grijns op zijn dikke lippen onze conversatie nauwlettend gevolgd had. ‘Hebben jullie hier Mandalay?’ vroeg ze haar ogen weer grootmakend. ‘In mijn reisgidsje las ik dat het erg goed bier is.’

Antonin Cee, Birmese passages, Verpleegster, Nieuwe vleugels

‘Heel goed bier. Zoveel als je wilt’,  haastte de jongen zich te antwoorden. Hij strengelde zijn vingers ineen, liet al zijn kootjes knakken en hij liep een deuntje neuriënd in een soort karateloop naar de aftandse ijskast langs een van de wanden.

We’re happy to serve you’, verklaarde hij plechtig met een zelfgenoegzame blik in zijn ogen toen hij even later twee grote flessen Mandalay op tafel zette. Waarschijnlijk was de uitdrukking hem aangepraat door  een Amerikaanse rugzakker en leek het hem het gepaste moment om die te gebruiken. Ik zette mijn  reistas naast die van Calla en we liepen ieder met een fles Mandalay de tuin in, ik zwevend op nieuwe vleugels.

Onder de pipalboom, waar het schaakbord en de omgevallen stukken nog op tafel stonden, zetten we ons neer. De twee schakers en hun Birmese toeschouwers waren inmiddels verdwenen. ‘Hoan Hô’, proostte Calla in het Vietnamees en zette de fles aan haar mond voor een stevige slok.

‘Was je lang in Vietnam’, vroeg ik haar, zelf ook aan mijn fles lurkend. ‘Twee jaar’, antwoordde ze weer een stevige teug nemend. Haar kaken leken zich even te verharden en ze keek me aan met een vreemde schittering in haar ogen. ‘Ik was er verpleegster tijdens de Vietnamoorlog’, zei ze met haar hese stem, die nog wat trager leek te worden. ‘Het was een vreemde tijd.’

Ze wendde haar blik af en voor het eerst zweeg ze, wel een minuut lang, terwijl ze roerloos op haar stoel voor zich uit zat te kijken. Ervan uitgaande dat ze dingen zag die ze niet kwijt wilde liet ik haar. Maar plots keerde ze zich weer naar me toe en er verscheen iets van een verontschuldigende blik in haar ogen. ‘Ik liet me uit vrije wil in het leger inlijven’.

‘Ik wilde wat goeds doen voor de mensheid’, voegde ze er na een korte aarzeling aan toe. Of ik dat vreemd vond. Daar is toch niets mis mee, had ik willen zeggen. Op 17-jarige leeftijd had ik het zelf ook gedaan al was dat om heel andere redenen. Maar het was kennelijk alleen maar als een retorische vraag bedoeld, want zonder mijn antwoord af te wachten praatte ze meteen verder.

Antonin Cee, Birmese passages, Vietnamoorlog, nieuwe vleugelsHet zware spul dat vergetelheid schenkt… (foto drugskompas.nl)

Ik moest het haar niet kwalijk nemen, dat ze het er allemaal uitgooide. Maar nu ze weer in Azië was kwam het allemaal weer aan de oppervlakte. Ze had het van tevoren geweten en er zelfs naar toegewerkt. Het was  een vorm van therapie, waarmee ze zichzelf wilde zuiveren.

In Vietnam was ze  terecht gekomen tussen jongens die het spoor volkomen bijster waren. Drugs, om de angst aan stukken geschoten te worden in toom te houden. Als verpleegster had ze er daar heel wat van gezien. De vergetelheid, die het zware spul je kan geven had ook haar te pakken gekregen. Eerst rookte ze het, later was ze gaan spuiten, maandenlang. Terug in de States had ze er na een martelend, wekenlang gevecht, cold turkey vanaf weten te komen.

Ze zweeg even om weer een slok te nemen. Maar ze wilde het blijkbaar allemaal meteen kwijt.  Toen ze weer clean was had ze geen verpleegsterswerk meer willen doen. Ze was gaan werken als croupière in een casino in Vegas. En nu, na voldoende geld opzij gelegd te hebben, ging ze een jaartje rondreizen in Azië. Ze dacht erover een boek te schrijven als ze er de juiste plek en de rust voor vond. In  Katmandoe was ze gestart. En vandaag  was ze net als ik begonnen aan de Birma-week. Daarna zou ze naar Bangkok gaan, waar ze tijdens haar Vietnamese dagen verschillende keren geweest was. Ach, woonde ik daar ook? Misschien was het ook wel de juiste plek voor haar.

Opnieuw nam ze een flinke slok en staarde even naar het etiket op haar bierfles voordat ze er aan met iets van een zucht aan toevoegde: ‘Ben je er eenmaal door gebeten, kom je er nooit meer vanaf.’ Of ze hierbij zinspeelde op Azië of heroïne, werd me niet duidelijk. Ineens hief ze haar fles bier weer op en dronk hem in een keer leeg, hield hem me ondersteboven voor terwijl haar bloemenmond weer door een prachtige glimlach bestoven werd . Het zette mijn hart aan tot een clowneske bokkensprong. ‘En nu een aardser onderwerp’, zei  ze met iets van gespeelde vrolijkheid haar lege fles tussen duim en wijsvinger heen en weer schommelend. ‘Zeg,  zullen we er nog een nemen? Dat Mandalay is bij lange na geen slecht bier’.

Bij de receptie haalde ik twee nieuwe flessen, een pendel die ik die avond nog zeker een keer of drie zou herhalen. Toen de avond zijn zwarte voetafdruk op de hemel zette en er een betoverende sterrenhemel uitstampte, kwam de receptionist, happy to serve  zoals hij weer eens liet weten, met een walmend olielampje. In mijn fantasie werd Calla in dat gelige schijnsel tot een goddelijke odalisk, die ik voor altijd  bij me moest zien te houden.

Later op de avond kregen we gezelschap van de twee schakers en nog wat andere reizigers. Maar we lieten ons niet met hen in, want onze handen en lippen hadden elkaar toen al gevonden. En toen we wat aangeschoten eenmaal die steile, leuningloze trapladder  beklommen hadden, wat met mijn nieuwe vleugels weinig moeite kostte, vonden ook onze hunkerende lichamen elkaar. Daarna ineengestrengeld naast elkaar liggend, lag ze met een wijsvinger dromerig kringetjes te draaien op mijn borst. ‘Weet je’, zei ze ineens zonder enige inleiding ‘er wordt vaak gezegd dat al die oorlogs- en andere gewelddadige films agressie in de hand werken. Maar als je goed kijkt zijn ze niet meer meer dan een waarheidsgetrouwe getuigenis. De menselijke geschiedenis is een aaneenschakeling van oorlog en geweld.’ Blijkbaar was ze met haar gedachten weer in haar Vietnam verleden en ik trok haar dichter tegen me aan. (wordt vervolgd.)

Ook op Trefpunt Azie: Het verhaal van de week: Arthur C. Clarke, Colombo en Sari meisjes


Beste lezer

Trefpunt Azië is een reclamevrije site geheel gemaakt door vrijwilligers. Al onze berichten zijn voor iedereen te lezen. Maar het in stand houden van een website als Trefpunt Azië kost geld; er zijn kosten voor software om de site te maken en de huur van serverruimte zodat hij te zien is. Die kosten worden gedragen door leden van de redactie en die kunnen daarbij wel wat hulp gebruiken. Als u wilt helpen met een (kleine) bijdrage klik dan op de rode knop rechtsonderdaan op de pagina en doneer, dat kan al vanaf 3 euro. Wilt u op een andere manier helpen? Mail dan even met de redactie: post@trefpuntazie.com

Dankzij uw bijdrage kan Trefpunt Azië elke dag nieuws en achtergronden uit uw favoriete werelddeel blijven brengen.

 

Antonin Cee
Over Antonin Cee 196 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*