Begoochelingen (4). Zoeken naar een voedende tepel

 

De jongens zaten haar zwijgend aan te kijken, verbazing druipend van hun gezichten. De oranjeman nam het brilletje van zijn neus, greep een servetje van de toog en begon de glazen op te wrijven alsof het geluksstenen waren waar hij zijn fortuin mee kon beïnvloeden.

Tiet zat er een ogenblik naar te kijken en boog zich over de bar haar nog altijd onaangestoken shagje vragend naar hem opheffend. Nadat ze een vuurtje had gekregen keerde ze zich weer naar de lange, die haar zat aan te kijken alsof hij een of ander raar voorwerp probeerde thuis te brengen.
‘Jullie schijnen gewoon niet blij te kunnen zijn met je eigen land en met je eigen dingen’, ging ze verder alsof ze een stel kinderen een standje gaf. ‘Daarom dromen jullie van andere plekken, onbezoedeld door al de westerse onzin. En liefst bewoond door nobele wilden’.

Antonin Cee, Begoocheling, Tepe
Exotic Asian Woman
Painting by Willem Gerard Hofker

Ze bracht haar hoofd vlakbij de jongens en dempte haar stem. ‘Want geef het maar toe, zo zien jullie ons toch, niet? Als onbezoedelde wilden niet aangevreten door de westerse beschaving? Dat naait lekker, niet?’ Ineens veerde ze recht en schaterde het uit.

Aan het andere einde van de bar riep de man met de paardenstaart om meer soda en ijs. Het viel de jongens op dat hij het in het Thais deed. Nadat ze hem bediend had kwam ze weer bij de jongens zitten.
‘Tiet,’ zei de lange zijn glas heffend, ‘ik vind je een stuk’. ‘Zou je best even willen vasthouden.’ De oranjeman zette zijn brilletje terug op zijn neus en knikte enthousiast met zijn stekelhoofd. ‘Wijs ik ook niet af’, viel hij in met zijn krielstemmetje en maakte weer een van zijn overladen gebaren.

Tiet trok een bedenkelijk gezicht.
‘Een voorstel voor een triootje en dat nog zo vroeg op de middag? Wat moet ik daar als vrouw op antwoorden?. Pas maar op dat jullie niet bedrogen uitkomen’.
‘Kan ik me niet voorstellen’, zei de lange vol overtuiging. ‘Je bent echt een moordwijf’.

Tiet bracht haar handen bij elkaar en maakte het time-out gebaar. ‘Jullie lopen behoorlijk hard van stapel en dat terwijl het zo warm is’. Ze wuifde met een denkbeeldige waaier voor haar gezicht.
‘Jongens gun je zelf toch wat tijd, voordat je je allerlei ideeën gaat vormen over dit land. Heus, om er wat van te snappen moet je beginnen, die mythen af te stoten. Ophouden het onbestaande na te jagen. Vraag het anders maar eens aan hem’. Ze tuitte haar lippen naar de man met de paardenstaart.

De jongens gaven hem een snelle blik. Niets in de houding van de man verraadde dat hij wist nu onderwerp van gesprek te zijn.
‘Een landgenoot van je’, kwam Tiet weer. ‘Hij woont hier al eeuwen. In ieder geval al bijna net zo lang als ik op deze wereld ronddraaf. Zijn bazen van de een of andere brigade in het moederland stuurden hem hierheen om toe te zien dat we niet teveel dope naar jullie toesturen. Het is een aardige vent. Als zijn hoofd er naar staat, praten we wel eens. Soms is dat het geval. Dan oreert hij aan één stuk door’.

Ze wierp een onderzoekende blik op de man, die weer met zijn vinger in zijn glas zat te roeren. ‘Maar vandaag heeft hij weer een van zijn zwijgzame buien zo te zien’. Tiet legde haar handen plat op haar schouders en schommelde heen en weer op haar kruk alsof ze zichzelf een stevige knuffel wilde geven.
‘Met ons Thais heeft hij niet al te veel op. Met onze cultuur ook niet. Hoewel hij daarin wat ambivalent is. Het hangt van zijn stemmingen af. Als het hem niet zint, kan hij zwijgen als een graf. Maar als hij op dreef is, dan is hij niet meer te stuiten. Ik noem hem de professor, want als hij eenmaal loskomt, lijkt het net of hij college staat te geven’.

‘Nou, jij doet echt niet voor hem onder’, bromde de lange.
Hij keek even opzij naar de man met de paardenstaart. Die zat weer onbeweeglijk voor zich uit te staren, maar er leek iets van een grijns op zijn lippen te komen. Langzaam, heel langzaam pakte hij zijn glas op en dronk het in een teug leeg. Omslachtig en uiterst traag alsof hij in diep gepeins verzonken was, schonk hij zichzelf weer bij, mixte soda water en ijs, roerde met zijn wijsvinger.
Hij nam nog een slok, haalde zijn tong langs zijn lippen en zette zijn glas weer neer. Dan, nog altijd in slow motion, draaide hij zich naar de jongens toe en keek ze voor het eerst aan, een dun glimlachje op zijn lippen.
‘Hoor eens’ zei hij, ‘hoor eens, om het maar meteen te zeggen, ik ben het hier eigenlijk beu als koude pap.’

Hij nam zijn glas weer op, waarin de dalende zon die onder het afdak was gekropen een rode gloed legde en nam een weer stevige slok.
‘Dromen, dat kun je wel zeggen’, ging hij verder zijn hand om zijn glas gekneld. ‘Van het onbestaanbare, wat anders, ik heb dat ook gehad. Ontsnappen uit mist en regen…, Tiet heeft helemaal gelijk, dat is wat we doen. We hebben nooit iets anders gedaan, altijd op zoek naar dat andere buiten onszelf. Zo zitten we in elkaar’.

Antonin Cee, Begoocheling, TepeHij sprak wat lijzig met een zangerig Limburgs accent en pauzeerde even, net lang genoeg om weer een slok te nemen.
‘Een stel rusteloze honden zijn we, wat anders, we kunnen niet afliggen. Dat Europa van ons heeft altijd aan de vacht van Azië gehangen op zoek naar een voedende tepel’.

Hij stak een nieuwe sigaret op en richtte zich weer naar de jongens. Op hun gezichten was te lezen dat ze zijn inmenging in het gesprek niet op prijs stelden. Maar de man met de paardenstaart leek er zich niet aan te storen.

‘Met alles wat we daar vonden,’ vervolgde hij alsof hij een lesje opzei, ‘het scheepsroer en het kompas om maar wat te noemen, konden we pas echt de wereld in’. ‘Laten we het zeggen zoals het is. Maar toen we die dingen eenmaal hadden, hebben we er onze eigen wereld mee gebouwd. Een wereld met een nieuw gezicht.’

Hij draaide zich naar Tiet en nam zijn zonnebril af. De jongens zagen voor het eerst zijn hardblauwe ogen. Hij nam opnieuw een slok en keek Tiet recht aan.
‘Luister eens meisje, je kunt dat allemaal wel zeggen, van dat gebrek aan edelmoedigheid naar onszelf toe. Haal er maar gerust de erfzonde bij. Karma, zoals je zegt, wat anders…. Het werkt door en zal altijd blijven doorwerken. Maar geloof me, daarin ligt onze kracht, de kritische geest…, op de eerste plaats naar onszelf toe.’ Hij knikte een paar keer met zijn grote hoofd alsof hij met die conclusie bijzonder ingenomen was.

‘We zijn misschien niet zo edelmoedig naar ons zelf toe,’ vervolgde hij een schouder ophalend, ‘laat dat zo zijn…’. ‘Maar het leidde tot natuurwetenschap, tot onderzoek…’. Het gaf ons zicht op, nou laten we maar zeggen…, op de werkelijkheid. Dat is de westerse geest ten voeten uit…. Kijk maar naar die jongens hier, die zijn er ook mee bezig… , ook op zoek…. Zoals je zei, als jullie iets niet zint kijken jullie categorisch de andere kant op. Daar kom je niet ver mee’. Hij zoog aan zijn sigaret en begon zijn glas alweer bij te vullen.

Antonin Cee, Begoocheling, Tepe

‘Hé, wacht eens even…’, riep de lange hem toe en wilde nog wat zeggen, maar de man sloeg er geen acht op.
‘Want kijk eens,’ onderbrak hij hem, ‘wij zijn het toch, die alle grote uitvindingen gedaan hebben, wie anders’. ‘We joegen dromen na, dat is duidelijk, en daarom hebben we van alles ontworpen, geproduceerd…, de wereld naar onze hand gezet…, laten haar in het gareel lopen…, zo goed als we kunnen natuurlijk…’
‘En dat konden we doen omdat we dromen van het onbestaanbare’.

Abrupt keerde hij zich weer naar het tempelplein, dat uitgestorven lag de stoven in de zware hitte van de namiddag. Op de plaats waar de novieten daarnet gesproeid hadden, was het water al lang verdampt. De hof lag weer vol dode bladeren.
De man staarde er een ogenblik na, verzonken in zijn eigen wereld.
‘Het onbestaanbare dat zeker. Maar juist door er naar te zoeken krijgt het gestalte’, voegde hij er aan toe zich weer naar de jongens kerend.

‘Ja, hoor eens’, brak de lange eindelijk binnen in zijn monoloog, ‘ik weet niet of we zo blij moeten zijn met al die dingen’. ‘We zijn aardig op weg de wereld naar de verdoemenis te helpen en dat is…’.
‘Maar vergis je niet’, ging de man met de paardenstaart onverstoorbaar verder, alsof hij de lange niet gehoord had, ‘de Thais hebben ook hun dromen’. Hij liet zijn blik op Tiet rusten, die hem met gekruiste armen glimlachend stond op te nemen.

‘Hier willen jullie al die dingen ook, schatje, mooie snelwegen, huizen, voorzieningen, treinen en de hele santenkraam, wat anders, dat is jullie droom. Maar jullie weten dat het niet meer dan na-aperij is. Dat je het zelf nooit zou hebben kunnen bedenken. Een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Daar kan je wel over grappen maar het blijft ongelukkig. Het frustreert…’.

‘Ja, hoor eens…’, begon de lange weer, die zich behoorlijk zat op te winden, maar de man leek hem niet te willen horen.
‘Er zijn lieden…’, orakelde hij verder, ‘er zijn van die lieden…, Aziaten natuurlijk, wie anders…, die beweren dat het allemaal een gevolg is van de kolonisatie’.

 

Antonin Cee, Begoocheling, Tepe
Lombok 1894 J. Hoynck van Papendrecht

Hij maakte een zijdelings gebaar naar de jongens. ‘Als wij deze streken met rust hadden gelaten, zouden zij ook wel tot industrialisatie gekomen zijn; zo is de redenering. Dat het er niet van kwam is hun schuld niet. Wij kolonialen vernietigden alle lokale structuren, zodat die zich niet verder konden ontwikkelen. Ze werden een doodlopende tak in de evolutie. Goed gevonden niet?’

‘Maar uiteindelijk is het natuurlijk niet meer dan jezelf een troostprijs geven. Tiet heeft gelijk, deze lui hier zijn dol op zichzelf. Heel edelmoedig naar zichzelf toe.’
‘Waarheden die niet vleiend voor ze zijn’, hij grinnikte even, ‘nou, die zijn voor hén onwerkelijk, wat anders’.

‘Ja, hoor nou eens man’, riep de lange uit, die nijdig aan het worden was, ‘ik voel me daar voor geen meter verantwoordelijk voor’. ‘Wat kan mij het schelen, die kolonisatie en die al of niet bestaande structuren waar jij het over hebt. Voor mijn tijd begrijp je wel.’

Hij gluurde naar Tiet, die hen nog altijd met gekruiste armen stond te observeren. De rode mier op haar T-shirt was nu niet meer te zien. Alleen het opschrift my favorite pet was op de rondingen van haar borsten nog te lezen.
Wat een godin, schoot het door hem heen…

 

Het korte verhaal ‘Begoochelingen’ komt uit de bundel ‘Inheems Kruid’, een door auteur Antonin Cee omgewerkte versie van zijn boek Tussen Eigen en Ander. ‘Zoeken naar een voedende tepel’ is het vierde van vijf delen.

Antonin Cee
Over Antonin Cee 124 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).