Angst en eenzaamheid van een jongen in Nederlands-Indië

ERNST BRACHES EN DE OOST

“Hij schrok wakker in diepe schemer. Regen vlaagde sissend binnen. Een jaloezie klepte dicht, viel open, sloeg opnieuw dicht; de andere piepte op de haak. Het bruiste zwart en wild. Te zwak om omhoog te komen schoof hij naar de bedrand. Terwijl hij zich bewoog voelde hij het klamboegaas verder scheuren en hij keerde zijn ogen naar de kamer waar de regen binnenmistte. Het raam moest dicht. Het water vloog binnen. Het bruiste zwart. De jaloezie klapte open en dicht. Het klamboegaas bewoog als wier in het groenige donker dat vervuld was van een geur die hem onrustig maakte. Het was niet die van de regen over de rivier, niet die van molmend hout. Het was de zoete geur van vergaan, van verrotting, van aas, een doodslucht die niet van buiten werd aangedragen.”

Alex Ouddiep, Ernst Braches, Eenzaamheid, Koloniale geschiedenis

In dit ongewone, en ongewoon precieze proza tekent schrijver Ernst Braches (Padang, 1930) een kinderwereld van angst, van eenzaamheid en verlatenheid, op basis van eigen jeugd in Nederlands Oost-Indië mogen we aannemen. Wat in bovenstaande passage vol ogenschijnlijk kleiner kinderleed in een ziekenboeg niet wordt aangeduid (een veel voorkomende schrijftechniek bij Braches), is het achterliggende grote drama : de executie van de ouders, Duitse zendelingen, door de Japanse overheersers van Indonesië. (1).

Wat niet gezien wordt, wat niet gezien wil worden

Het verhaal is opgenomen in de bundel Nachtboog (1988), een titel die opnieuw ongewoon en ongewoon precies is. Het woord slaat in de kosmografie op de baan die de zon dagelijks aan het hemelgewelf beschrijft, en daarvan weer de cirkelboog die onder de horizon ligt en dus in de nacht.

Het thema – dat wat niet gezien wordt, wat niet gezien wil worden – doordrenkt de bundel.
De lezer wordt gevoerd naar bijzonder duistere kanten van de koloniale Indische maatschappij: de angst van kinderen voor gebruik en misbruik door lokale jongens en mannen (“laag volk”) en duistere Europeanen.

Cynisme tekent de sfeer van volwassenen alom: een hoofdpersoontje van acht wordt “de vangst” genoemd, en moet blootstaan aan een onderzoek van zijn lichaam dat in feite een aanranding is. ‘Virgo intacta?’, wordt zijn begeleider gevraagd. Het jongetje mag dan spelen met blote meisjes van zijn leeftijd en met zijn allen zwemmen in een meertje dat een visvijver is – een beeld van vrijheid binnen gevangenschap. Pas als een van de kerels zich aan het jongetje bevredigt, wordt het de begeleider te veel, hij werpt zich op als beschermer van het kind, als een mogelijk jaloerse beschermer.

De ogen van de nacht

Bijzonder knap opgebouwd is het verhaal De ogen van de nacht. Een Europese jongeman bezoekt een oudere oom, een op het oog nette tropenheer die converseert en schaakt. De jongeman heeft een motorfiets en maakt daarmee tochtjes in de dessa. Een klein schuw jongetje mag of moet mee op zo’n tochtje. Het kind, de man omklemmend, zit achterop, de rit maakt angstig en ook opgewonden – een verwarrende ervaring, ook voor de motorrijder.

De tocht wordt uitgebreid beschreven, de gedragingen van het kind steeds gezien door de onbegrijpende ogen van de man.
‘Ik zong. Ik merkte dat ik zong. We klommen. We sponnen omhoog. Werd hij niet duizelig? Niet bang door de vliegende vaart? Ik schreeuwde het achter me. Hij reageerde met hoofdschudden terwijl hij het hoofdje neergebogen hield. De tocht voerde hoger en hoger.’
Als de avond valt, worden man en kind naar het donkere getraliede gastenverblijf verwezen (‘U ziet … en toch niet. U bent vrijgezel? Vertrouwen!’) waar ze onder een klamboe gaan liggen, gescheiden door een rolkussen. Er weerklinkt het geluid van de dorpsgamelan bij een ngroewatan, een wajangopvoering met uitbanningskracht. In deze donkere nacht, ‘in deze kooi, in deze val’, vechten twee dieren in de kamer, wat man en kind beangstigt.

De lezer ontkomt door de overige verhalen in de bundel niet aan de gedachte dat in dit gevecht tevens een strijd in het duister-erotische wordt uitgebeeld; een vergelijking dringt zich op met het sirih tafereel in de badkamer van Couperus’ De stille kracht. Als het licht wordt, kruipt het jongetje naar de man toe. “Peinzend begon hij met een vinger de trekken van mijn gezicht te volgen. Tussen zijn halfgesloten oogleden was het wit als een smalle lijn zichtbaar.” En dan komt de, al te eenvoudige, verklaring voor de angst en opwinding die, ondanks alle aanwijzingen die de jongeman bij dag en bij nacht waren ontgaan: het kind was volkomen blind.

Ook hier is de titel van het verhaal, in aansluiting bij die van de bundel, kunstig gekozen: de ogen van de nacht roepen het Indonesische woord voor de zon op: mata hari, letterlijk oog van de dag (2).

Veerkracht?

In het laatste verhaal Waldemar Aae (3) is een jongetje uit Indië ondergebracht bij een nuchtere boerenfamilie in Holland. Hij ervaart daar een eenzaamheid zoals die door Rudi van Danzig is beschreven in zijn autobiografische hongerwinterroman Voor een verloren soldaat.

Alex Ouddiep, Ernst Braches, Eenzaamheid, Koloniale geschiedenisOok bij Braches mondt deze eenzaamheid uit in een ontdekking van de kracht van het geslachtelijke. Het jongetje maakt een holte in een hooiberg tot een eigen veilige ruimte en komt daar tot eenzame masturbatierituelen. Deze vormen in hun zuiver fysieke zinnelijkheid een opening naar een vrijer leven: ‘Zijn bleke wangen kleurden zich en de boerin verheugde zich omdat zij het kind eindelijk hoorde lachen.’
Het is misschien de enige zin in de bundel die niet somber beladen is.

Veerkracht van kinderen heeft zich in elk geval getoond in het leven van Ernst Braches zelf. Hij heeft zijn ellende in het Oosten creatief verwerkt in deze verhalenbundel en schreef ook Engel en afgrond, een knappe analyse van Henri James’ The turn of the screw waarin eveneens misbruik centraal staat. Braches (4) is neerlandicus. Hij was bibliothecaris van de Universiteit van Amsterdam en hoogleraar in de geschiedenis van het boek en de drukkunst.

Voetnoten

(1) Persoonlijke mededeling van F.P., ooit Braches’ huisgenoot in Indonesië; geen schriftelijke ondersteuning gevonden.
(2) Vergelijk Thais tawan, mogelijk een nevenvorm van taa wan, oog van de dag.
(3) Deze obscure titel is een verwijzing naar een verhaal van Hans Christian Andersen.
(4) Zie profiel Wikipedia

Lees ook: Ernst Wiechert en De Oost

 

1 Comment

  1. Prachtig, Alex, dat je deze (vergeten?) man op de kaart zet.
    Hoewel zelf neerlandicus en leesfanaat heb ik nog nooit van hem gehoord.
    Dank voor de kennismaking.
    Toch raar dat de ‘exotische’ Nederlandstalige literatuur een verwaarloosd stiefkindje blijft…
    Onlangs las ik in een studie dat 95% van onze literatuur draait om huis-tuin-en-spruitjeslucht in Hollandse setting.
    Van de overige vijf percent behelsde 3% dan nog VS-avonturen.
    En die 2%, daar behoort Braches toe.
    Bij mijn weten was F. Springer een van de laatste bekende schrijvers die het buitenland naar de Nederlandse lezers bracht.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*