De Geheimschrijver, deel 38

Nico zit in de salon van Rodericks ouderlijk huis tegenover de Grote Staatsman. Hij toont Nico een boek over de Eerste Wereldoorlog. ‘Dit geldt als een baanbrekend werk over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Het is al een paar jaar oud, maar ik heb nu pas de tijd gevonden om het te lezen. Het is geschreven door een Duitse historicus die zich daarmee de gramschap van zijn vakbroeders op de hals heeft gehaald. Ben jij een beetje op de hoogte van die geschiedenis?’

Deel 38 – In de ban van Van Haeften

Nico voelde zich vereerd. De Grote Staatsman voelde zich niet te groot om met hem, een jonge onbekende vriend van zijn jongste zoon, een gesprek te beginnen over een kennelijk voor hem belangwekkend onderwerp. Zijn vader zou onmiddellijk zijn begonnen te onderwijzen en daarmee elke belangstelling voor het onderwerp, hoe interessant ook, gelijk hebben gesmoord. Van Haeften miste niet alleen de belerende toon, maar leek ook echt geinteresseerd in wat hij te zeggen had. Hij vertelde eerst nog enigszins zenuwachtig, maar gaandeweg beter op zijn gemak wat hij op school had geleerd en Van Haeften luisterde aandachtig knikkend naar zijn relaas.

‘Precies, dat dacht ik ook altijd. Maar deze meneer Fischer heeft tot nu toe verborgen documenten ontdekt, op een zolder nota bene, waaruit onomstotelijk blijkt dat Duitsland aanstuurde op die oorlog. Duitsland wilde met alle geweld een wereldmacht worden en is daarmee de hoofdschuldige aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Met andere woorden: niet alleen de Tweede, maar ook de Eerste is door Duitsland veroorzaakt. Je begrijpt dat dit veel tumult bij onze buren heeft veroorzaakt. Fischer is beschuldigd van verraad, de geschiedkundigen zijn verdeeld in twee kampen, de politiek heeft zich er mee bemoeid. Enfin, ongelooflijk boeiend. Dan is het hier maar een tamme bedoening, vind je niet? Het enige debat van nationaal belang van de afgelopen jaren ging over het bestaansrecht van de monarchie. En debat is misschien nog een te groot woord, een debatje, meer was het niet.’

Nico knikte. Hij volgde de politiek niet op de voet en vroeg zich af hoe hij het gesprek moest voortzetten. Over de monarchie had hij wel een mening, of liever, het was de mening van zijn ouders, maar het leek hem niet raadzaam die tegenover deze pilaar van de gevestigde orde naar buiten te brengen. Van Haeften keek hem met gefronst voorhoofd over zijn leesbril aan en glimlachte.

‘Ik neem aan dat je net als Roderick tegen het koningshuis bent? Daar zijn goede, zelfs overtuigende argumenten voor, niet alleen principiële, maar zeker ook praktische. Daar ben ik me drommels goed van bewust. Onze vorstin is, laten we zeggen, zelfs op haar best niet volledig van deze wereld. De prins-gemaal is een playboy met dubieuze vrienden en ik vrees onder ons gezegd en gezwegen dat we nog een hoop last van hem van krijgen. En de kroonprinses is een intelligente, maar eigenzinnige om niet te zeggen koppige jonge dame die gewend is in alles haar zin te krijgen. Maar afschaffen is, vergeef me de uitdrukking, geen haalbare kaart. Zolang 80 procent van de Nederlandse vrouwen elk jaar de Pro Juventute-kalender koopt en hun echtgenoten de prins-gemaal een fantastische vent vinden, blijft het Oranjehuis onaantastbaar en is elk debat verspilde moeite en derhalve volstrekt zinloos. En dat moet een politicus nooit doen, zich uitputten in zinloze discussies. Ik geef toe, dat riekt naar opportunisme, maar dat is het wezen van het politieke bedrijf. Principes zijn volledig ondergeschikt aan de praktijk, sommigen zeggen vaak, en met reden, de
waan van de dag. En iedereen die het tegendeel beweert houdt de kiezers en zich zelf voor de gek. Dat laatste is overigens het ergste. Maar goed, dat weet je natuurlijk allemaal al. Mag ik iets voor je inschenken? ’

Hij stond, nee, rees op en Nico was opnieuw geïmponeerd door de enorme gestalte tegenover hem. Van Haeften stommelde naar een kabinet en rommelde met een batterij flessen die daarop stonden. Op dat moment kwam zijn vrouw binnen met een grote vaas bloemen die ze op een bijzettafeltje zette. Nico wist opeens wat hij verzuimd had. Hij had een boeket voor zijn gastvrouw moeten kopen. Hij wist van Roderick dat je haar geen groter genoegen kon doen dan bloemen voor haar mee te brengen. Dit zou hem nooit meer overkomen. Ze ging zitten, nam een filtersigaret uit een met houtsnijwerk versierde mahoniehouten doos, stak op en blies een wolk de kamer in.

‘En Nico, gaat het goed met je? Ik hoop niet dat mijn man je heeft verveeld met zijn verhalen over de politiek. Hij wil soms wel eens vergeten dat hij thuis is en niet in de Kamer of de sociëteit. En hij heeft vast vergeten je iets te drinken aan te bieden.’
‘Daar ben ik mee bezig, lieve. We hadden een buitengewoon vruchtbaar gesprek over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog en de pro’s en contra’s van de constitutionele monarchie, nietwaar Nico? Maar nu gaan we over tot de werkelijk ernstige zaken des levens. Waar kan ik je mee van dienst zijn, Nico. Sherry, whisky, gin, jenever, wodka, wijn. You name it, we have it.’
‘De jongens drinken bier, Henry. Dat moet je onderhand toch weten.’
‘Nee, dat was ik niet vergeten. Want ik heb vanmiddag een kratje koud laten zetten.Waar blijven Ritsaert en Roderick? Dan kunnen zij het bier mee brengen.’

De deur ging open en een jongeheer in blazer en grijze broek kwam binnen. Hij groette zijn ouders en stelde zich voor aan Nico. Hij leek als twee druppels water op Roderick, was minstens even lang, had hetzelfde dikke haar, maar korter en beter in model geknipt, en dezelfde grote neus. Alleen, hij leek veel serieuzer en ouder, vooral, maar niet alleen, door een ouderwetse hoornen bril. Nico begreep nu hij hem zag, waarom Roderick had gezegd dat hij ‘oud geboren’ was. Ondanks de uiterlijke gelijkenis waren de broers totaal verschillend. Ritsaert maakte op hem een bedachtzame, ernstige en rustige indruk. Roderick was in alles zijn tegenpool, druk, direct en impulsief. Het was geen wonder dat ze niet met elkaar konden opschieten.

Ritsaert vroeg hem hoe de studie en Leiden hem beviel. Hij had een aangename, vertrouwenwekkende stem. Laag, maar niet te laag. Nico begon zich op zijn gemak te voelen en gaf ontspannen antwoord op zijn vragen. Hij vond Ritsaert eigenlijk wel aardig.
Van Haeften bracht zijn vrouw een sherry en zei tegen niemand in het bijzonder: ‘Dit is het uur van de existentiële dilemma’s. Wat zullen we drinken? Ik zou wel een whisky blieven, maar ook een gin-tonic is niet te versmaden. Hoe een keuze te maken? En niemand, oh niemand, die ons daarbij kan bijstaan.’

Hij pauzeerde en liep terug naar het kabinet. Hij draaide zich om en declameerde:
‘Ik ben eruit. Gin-tonic!’ En maakte fluitend zijn cocktail klaar.
‘Als je het nog niet wist, weet je nu van wie mijn broer het heeft’, zei Ritsaert. ‘Wil je ook een bier?‘

Hij wilde opstaan, toen de deur openzwaaide. Roderick kwam binnen met twee flessen bier in zijn handen. Hij gaf er een aan Nico en keek zijn broer verrast aan. ‘Ritsaert! Ik wist niet dat je er al was. Ik had anders natuurlijk ook een bier voor jou meegenomen. Zal ik me vandaag eens van mijn beste kant laten zien en er alsnog een voor jou halen?’
‘Je moet een weldadige invloed op hem hebben, Nico, want dat heb ik nog nooit meegemaakt. Graag, dus.’

De avond verliep in een geanimeerde harmonie. De Grote Staatsman had aan tafel het hoogste woord, roddelde over collega’s, met name zijn eigen partijgenoten, vertelde over een ontmoeting met een buitenlandse minister, die later zoveel had gedronken dat hij ontsnapt was aan zijn begeleiders en bijna in de Hofvijver was gevallen en voorspelde dat de socialisten de verkiezingen zouden winnen.

Hij domineerde de avond met een vanzelfsprekende autoriteit maar zonder een verlammende invloed op zijn tafelgenoten uit te oefenen. Hij liet zich van tijd tot tijd corrigeren door zijn vrouw, als zij vond dat hij te ver doordraafde, keek dan verontschuldigend in het rond en nam vervolgens een enorme hap van de stoofschotel die hij zelf had bereid. Hij discussieerde met Ritsaert over een wetsontwerp, waarbij hij serieus inging op diens argumenten en Roderick uitvoerig het plafond bestudeerde. Stond regelmatig op om iedereen al orerend wijn en water in te schenken en vroeg Roderick waarom hij Charlotte niet had meegenomen. Hij informeerde bij Nico naar zijn toekomstplannen en schraapte tenslotte de laatste resten vlees uit de enorme gietijzeren pan, nadat hij eerst had
gevraagd of hij daarmee de anderen niet ‘ontriefde’.

Bij de koffie dronken de ‘mannen’ cognac en mevrouw Van Haeften een Italiaanse likeur waarvan Nico nog nooit had gehoord. Hij voelde zich rozig worden en bedacht wat en voorrecht het moest zijn om in zo’n gezin op te groeien. Thuis deden ze niet aan gezelligheid, zoals hij als kind al had vast gesteld. Aan tafel sprak zijn vader ook vaak over de politiek, maar dat waren gortdroge uiteenzettingen, waarbij hij altijd gelijk had en zijn zoon altijd wegdroomde.Hij was in de loop der jaren zo geconditioneerd dat hij precies wist wanneer het verlossende sein kwam en hij en zijn zuster van tafel mochten om de afwas te doen. Het was een van de weinige momenten waarop zijn zuster en hij iets voelden dat op saamhorigheid leek.

Hij rilde even en wist niet goed of het door het welbehagen of door de herinnering kwam.

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.